‘Alsof mijn leven opnieuw begint’

In de luwte van de bestsellercultuur die de literaire wereld domineert, bouwt auteur Robbert Welagen (1981) gestaag aan een eigenzinnig oeuvre. Onlangs verscheen zijn vierde roman, Porta Romana, de levendigste tot nu toe – en een tikje grimmig.

Aan goede pers ontbreekt het Robbert Welagen niet. Zijn debuut Lipari werd in 2007 bekroond met de Selexyz Debuutprijs, voor zijn tweede boek Philippes middagen kreeg hij het Charlotte Köhler-stipendium en Verre vrienden werd genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Welagens romans zijn dromerig en verstild, mysterieus, met een vleug melancholie en eenzaamheid. Zijn nieuwe boek Porta Romana bevat daarnaast een paar andere vertrouwde ingrediënten: een einzelgänger als hoofdpersoon, een raadsel, een verlaten villa en een centrale rol voor tijd en herinneringen.

Porta Romana draait om Emilio Lastrucci, een Italiaanse man van rond de vijftig die in het Zwitserse Vevey woont en werkt bij een firma die handelt in chocolade en koffie. Tijdens een afspraakje met een vrouw wordt hij misleid; zij is handlanger van mannen die hem zijn dikke spaarrekening afhandig willen maken. Lastrucci ontsnapt door uit het raam te springen. Hij overleeft de val, maar moet voortaan met een stok lopen en zijn geheugen functioneert gebrekkig. Vrienden en kennissen herkent hij niet en hij kan zich zijn eigen leven ook nauwelijks voor de geest halen. In Florence en Rome gaat hij op zoek naar verloren herinneringen. Intussen wordt hij geteisterd door angst, omdat hij niemand meer vertrouwt en nog steeds lijkt te worden achtervolgd.

In NRC werd Porta Romana een schijnthriller genoemd. Bent u het met die benaming eens?

“Ik kende de term nog niet, schijnthriller… Maar ik snap wel wat ze ermee bedoelen. Een thriller draait meestal om de zoektocht naar een moordenaar, nu gaat het om een zoektocht naar het verleden. Er zitten elementen in van een detective, zoals die ontvoering in het begin en die auto die ineens opduikt.”


Die suspense zat ook in uw eerdere boeken; het draait altijd om een mysterie.

“Dat is waar: er is altijd één raadsel per boek. De ontvoering van Emilio is gebaseerd op het verhaal van mijn oom. Hij was vrijgezel en ontmoette een vrouw met wie hij een paar keer ging eten. Op een avond zei ze: laten we afspreken met vrienden van me. Hij ging mee en werd in een appartement vastgebonden aan een stoel. Er waren daar vier of vijf mannen die uit waren op zijn spaargeld; mijn oom moest een contract ondertekenen dat hij daar afstand van deed. Ze sloegen hem met een knuppel. Toen die mannen even niet in de ruimte waren, dacht hij: ik moet hier weg. Hij wist niet op welke verdieping ze waren, alleen dat er balkons waren. Op goed geluk is hij gesprongen.”

Hij is echt met stoel en al door het raam gesprongen?

“Ja. Hij heeft echt geluk gehad, want ze bevonden zich op de vierde etage. Maar mijn oom is op een balkon twee verdiepingen lager terechtgekomen. Anders had hij het niet kunnen navertellen. Zijn bril is door zijn voorhoofd geschoten en zijn been was verbrijzeld, maar het geheugenverlies komt voort uit mijn verbeelding. In mijn vorige boeken hadden de personages toegang tot hun geheugen en herinneringen, nu wilde ik iemand die dat juist níet heeft.”

Wat een bizar verhaal.

“Ja, hè? Het is denk ik een jaar of vijf geleden gebeurd. Al die tijd heb ik het niet gebruikt.”

Zoiets is toch een cadeautje voor een schrijver?

“Ja, dat is het. En toch heb ik er al die tijd niets mee gedaan. Misschien zag ik het verhaal nog niet. Voor mij gaat het boek over twee dingen: die ontvoering en de stad Florence, waar ik drie keer korte tijd heb gewoond. In tegenstelling tot mijn vorige boeken heb ik allerlei dingen gebruikt die echt bestaan, zoals die oude villa van Emilio. Alles klopt. Als iemand het boek zou nafietsen, komt hij echt op die plekken uit.”


Was u er bewust mee bezig? U heeft weleens gezegd: “Ik ben een intuïtieve schrijver, ik let er niet op of dingen kloppen.”

“Dat was bij dit boek dus anders, omdat het startpunt anders was. Die man gaat op zoek naar zijn verleden, en ik wilde dat het allemaal klopte: de straten, de kerk waar hij als kind kwam, zijn lagere school. Ik ben een maand gaan rondwandelen in Florence om al die locaties te vinden. Dat beviel wel.”

Een béétje schrijver moet naar het buitenland om een boek te schrijven, toch?

Grijnst: “Het lijkt er wel op, ja. Maar Italië – Florence – leent zich er ook wel heel erg goed voor.”

Het schijnt dat u zo veel schrijft dat u elk jaar een boek kan publiceren.

“Ik schrijf inderdaad sneller dan de uitgeverij wil uitgeven.”

Is dat frustrerend?

“Voor mij wel, maar vanuit commercieel oogpunt begrijp ik het wel. Ik ben niet een heel, eh… goedverkopend schrijver. Dus ik begrijp wel dat ze me een beetje dimmen. Al schijnt het zelfs bij een goedverkopende schrijver zo te zijn dat ze er de rem op zetten, omdat anders de markt overspoeld raakt. Er moet minimaal anderhalf jaar tussen zitten. Eén boek per jaar zou fijn zijn, maar zo werkt het niet. Dat wordt je dan verteld: zo werkt het niet.”

Uw werk wordt steevast goed gerecenseerd. Wat staat de doorbraak naar het grote publiek in de weg?

“Ik weet het niet precies. Het lijkt of een boek het op zichzelf niet meer redt; je moet er heel veel omheen doen. Als ik Ernest van der Kwast zag – die heeft goed reclame gemaakt rondom zijn laatste boek Mama Tandoori. Dat werkt. Maar ik zie mezelf nog niet met een deegroller en mijn moeder op stap gaan. Ik heb daar weinig plezier in. Ik zou naar Amsterdam kunnen verhuizen, naar de borrels gaan, op Facebook en Twitter kunnen zitten. Maar ik vind dat echt niks. Ik heb een website, dat is genoeg.”


Daarom vraag ik het ook, omdat u echt een ander pad bewandelt. De weg van rust en verstilling te midden van het kabaal van onze moderne maatschappij.

“Iemand zei tegen me: ‘Je boeken zijn zo stil, er zit weinig alledaags leven in. Veel mensen herkennen dat gewoonweg niet; als je een hectisch leven hebt, spreekt je dat misschien niet aan.’ Ik zou denken: als je een hectisch leven hebt, is het toch júist fijn om even in een heerlijk rustige wereld te verkeren? Mijn boeken kunnen juist aantrekkelijk zijn voor drukbezette mensen. Ze zijn van een goede lengte – ik neem niemands tijd al te lang in beslag. Ze zijn begrijpelijk, spannend… Ik denk dat er nog een groot publiek te winnen valt.”

Wat heeft u eigenlijk met oude, leegstaande villa’s?

“Die fascinatie is denk ik ontstaan doordat ik in een oude villa ben opgegroeid. Het was een wit huis met een grote tuin en een oprijlaan. Mijn kamer keek uit op de tennisbanen die achter het huis lagen. Je hoorde steeds het geluid van de tennisballen. We verhuisden toen mijn ouders uit elkaar gingen. In mijn beleving hebben we nog een hele tijd in een leeg huis gewoond voordat we daadwerkelijk weggingen.

“Je zou het misschien niet zeggen, maar ik was een heel druk kind. Ik had blond haar, ik schreeuwde, rende, hield van surfen en skateboarden, en van Michael Jackson. Na mijn twaalfde ben ik veranderd in wat ik nu ben: een schraal overblijfsel van dat jongetje. Daarmee kom je ook bij het model van mijn boeken: er is een gelukkige jeugd, er is een breuk en daarna komt een grijze tijd. Zo ervaar ik mijn eigen leven ook.”

Wat heeft die kentering veroorzaakt?


“De enige verklaring die ik kan verzinnen, is dat die eerste twaalf jaar warm en vertrouwd waren en het in ons gezin heel prettig was. Na de scheiding veranderde dat. Sommige mensen zijn daar na een jaar wel overheen, maar blijkbaar was ik er niet tegen bestand. Ik zou graag willen dat ik nog zo was als dat jongetje. Ik heb het gevoel dat ik in deel 2 van mijn leven zit, en dat deel mag nu weleens ophouden.”

Hoe moet deel 3 eruit zien?

“Als een terugkeer naar deel 1. Maar ik weet dat dat onmogelijk is.”

Zoals in filmtrilogieën, waarin het in deel 3 toch nog goed komt.

“Precies, maar dat geloof heb ik dus niet meer. Dat zie je in feite ook in mijn laatste boek; Emilio gaat terug naar de plek van zijn jeugd, maar kan het verleden niet terugvinden. In die zin volgen mijn boeken als het ware mijn eigen leven en mijn kijk op de dingen. Een tijdlang leefde ik met mijn rug naar de toekomst, en naar de mens – ik wilde er niets van weten. Ik keek alleen maar terug. Ik ben nu dertig en ik kan wel zeggen dat ik mijn twintigersjaren zo heb geleefd. Wachten tot er iets komt en ondertussen omkijken naar vroeger. Hopen dat het geluk van toen terugkeert. Het is een naïeve gedachte, maar ik dacht écht dat er een mogelijkheid bestond om iets terug te halen; was het niet in het echte leven, dan wel in het schrijven van boeken. Nu weet ik dat ik niet meer terug kan.” Lacht: “Dat inzicht heb ik inmiddels wel na tien jaar.”

In Philippes middagen staat: “Als ik eerlijk ben, denk ik alleen maar aan vroeger.” Dat is dus echt zo geweest?

“Ja, zo kun je tien jaar samenvatten in één zin.”


Heeft u daar spijt van?

“Nee. Ik kon niet anders.”

Waaraan merkt u dat er iets begint te veranderen?

“Of het nu komt doordat ik dertig ben geworden en er weer een nul in mijn leeftijd zit… Het voelt alsof ik weer aan het begin van iets sta, alsof mijn leven opnieuw begint. Terwijl ik heel lang heb gedacht dat dingen alleen maar aan het eindigen waren. Ik kan zelf dingen gaan meemaken in plaats van herinneringen herbeleven en luisteren naar verhalen van anderen. Meer gaan léven. Met het schrijven voelt dat ook zo: alsof ik compleet nieuwe onderwerpen kan aansnijden. Het verhaal waar ik nu aan werk, gaat over een jongeman die al zijn spullen weggooit omdat hij wil verdwijnen.”

Hij laat de ballast uit het verleden achter zich.

“En hij gaat weg, op een reis, zonder het doel nog terug te komen.”

Robbert Welagen: Porta Romana. Nijgh & Van Ditmar, €16,50. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Vivian de Gier