De spoken van L’Aquila

Premier Silvio Berlusconi had een snelle wederopbouw beloofd. Het was niet echt de bedoeling om erheen te gaan, maar we misten een afslag. Toen we eenmaal de afdaling van de Gran Sasso (de hoogste bergpas van Italië) hadden ingezet, leidden alle wegen naar de hoofdstad van de Abruzzen. Daar leek weinig aan de hand. Het berglandschap ging geruisloos over in lelijke buitenwijken met rotondes en benzinestations. En toen waren daar ineens de binnenstad achter dranghekken en met linten afgezette straten. We waren in L’Aquila, een provinciestad die op 6 april 2009 werd getroffen door een aardbeving van 6,3 op de schaal van Richter: 295 doden, 11.000 gewonden, 40.000 daklozen.

Natuurlijk verwacht je dan een naargeestige sfeer, en dan valt het mee als er in parken terrasjes zijn en jongeren ijsjes eten. Maar het stadscentrum was praktisch uitgestorven, militairen hielden er de wacht en er was een rode zone waar je niet mocht komen. De meeste gevels stonden nog overeind, maar werden met stalen balken gestut en veel daken waren ingestort. Het puin was geruimd, de historische gebouwen stonden in de steigers, maar er gebeurde niks. Bouwbedrijven kondigden op borden restauraties aan, maar in de hoofdstraat – de Corso Vittorio Emanuelle – waren slechts twee winkels en wat bars open.

Over het lege, winderige Domplein schalde popmuziek. In de Santa Maria di Collemaggio, een Romaanse basiliek uit 1287 aan de rand van het centrum, vond een huwelijk plaats van de plaatselijke chic. De middeleeuwse voorgevel straalde in het zonlicht en de naaldbomen roken heerlijk, maar ook hier was geen dak meer, en door een geïmproviseerde glazen overkoepeling keek je zo de hemel in. En dat terwijl Silvio Berlusconi een snelle wederopbouw had beloofd en in juli 2009 met Barack Obama door de stad paradeerde (il cavaliere had er toen de G8 georganiseerd, in de hoop wereldwijde aandacht voor het rampgebied te wekken).

De inwoners van L’Aquila, die in april 2010 uit protest tegen de passiviteit van de regering met duizenden naar Rome marcheerden, geloven Berlusconi niet meer. Stimulansen voor de economie zijn uitgebleven en ze zullen nog lang in een spookstad moeten wonen. De woede van twee jaar geleden lijkt te hebben plaatsgemaakt voor berusting, alsof gebroken beloften onlosmakelijk met het noodlot verbonden zijn. Zo is het in Italië na aardbevingen altijd gegaan, waarom zou dat nu anders zijn? Juist de financiële crisis, in 2009 al aanwezig en met de crisis rond de euro en de torenhoge Italiaanse staatsschuld verergerd, doet vermoeden dat L’Aquila als vanouds het kind van de rekening zal zijn.


Anderzijds was er ook iets nieuws. Op de terugweg naar de Adriatische Zee namen we de Autostrada 24, een kunstwerk met viaducten en tunnels dat de aardbeving onbeschadigd heeft doorstaan. De weg moet miljarden hebben gekost. Wij betaalden vier euro tol, terwijl je voor de huur van twee strandbedden met parasol het viervoudige neertelt. Ook dat is Italië: een land met een overvloed aan historische schatten, moderne infrastructuur, maar ook van economische wanverhoudingen.

L’Aquila met zijn gestutte façades kun je als symbool zien voor de schone schijn van Italië en zijn eeuwige staatsschuld, waardoor het land zelfs even op zijn financiële grondvesten schudde. Maar toen was er ineens wel actie. Binnen een dag kreeg Berlusconi een bezuinigingspakket van 48 miljard euro door het parlement, waarna de rente op de staatsschuld weer daalde en de beurskoersen opveerden. Kan dat circus eindeloos doorgaan? Voor ons riekt het naar opportunisme en bedrog. Maar Italië kent een eigen, onverstoorbaar zuidelijke cadans (zie de lunchtijden en de streng verkavelde stranden) waarmee het schokken opvangt, een aardbeving of stormen op de geldmarkten. Italië plukt de dag, maar het dagelijks leven is er strikt gereguleerd. Dat maakt het land ordelijk en stabiel, hoe weinig solide wij noorderlingen het ook mogen vinden.

Dirk-Jan van Baar