Een goed gesprek met Henk Krol & Frank Wentink

‘Juist in economisch moeilijke periodes moet je aan de weg blijven timmeren. Die boodschap wordt door te veel mensen helaas niet goed begrepen. Nu alleen defensief optreden, is het paard achter de wagen spannen. Bedrijven gebruiken de crisis als alibi om dingen niet te doen, terwijl je het juist als een uitdaging moet zien om dingen wél te doen.” Dat is de mening van Frank Wentink (1947), pionier van de Nederlandse entertainment-industrie en bekend van zijn wekelijkse dinnershow in de Hilversumse Studio 21, met wie we hebben afgesproken in het Amsterdamse restaurant Blaauw. Hij heeft in zijn leven al heel wat financiële crises meegemaakt, maar werd er steeds beter van.

“Begin jaren zeventig klom Joop den Uyl vanwege de oliecrisis op een auto om voor de verzamelde pers en draaiende camera’s te verklaren dat de hoogconjunctuur voorgoed voorbij was. We moesten allemaal voor eens en voor altijd onze broekriem aanhalen. Iedereen zat in zak in as, maar voor mij was dat hét moment om de handen uit de mouwen te steken.”

Voor bijna iedereen was 1973 een dieptepunt, maar voor jou betekende het de aftrap van je carrière.

“Klopt. In feite heb ik alles te danken aan de crisis van 1973.”

Uitgerekend toen werd jij, als zoon van een Amsterdamse arbeider, een geslaagd zakenman.

“Ik was op dat moment manager hotelexploitatie in dienst van Holland International en verantwoordelijk voor enkele hotels en appartementen aan de kust en op Mallorca. We waren al gewend om veel voor de Hollandse gasten te doen: overdag was er wat animatie en ’s avonds af en toe wat entertainment. En toen brak dus die crisis uit. De kamerbezetting die boven de honderd procent lag – we moesten altijd elders accommodatie bijhuren – kelderde ineens naar dertig, hooguit veertig procent. Dat zorgde niet alleen voor veel minder omzet, maar ook voor troosteloze bars en restaurants. De mensen die wel kwamen, misten de ambiance die je alleen kunt creëren wanneer de zaak gezellig vol zit. De figuurlijke warmte – mijn specialisme – was ineens verdwenen.”

En wat doe je dan op die klap op te vangen?

“Ik wist dat er in de omgeving van onze hotels meer Nederlanders vakantie vierden in de accommodaties van onze collega’s. Als ik die allemaal ten minste ’s avonds naar onze hotels zou kunnen krijgen, dan was het daar in elk geval erg gezellig. De hotelbezetting kon ik niet beïnvloeden, dat gebeurde immers in Nederland, maar het amusement ter plekke kon ik wel vervolmaken. Daarom stapte ik op het vliegtuig om populaire vaderlandse artiesten te strikken voor optredens in de hotels. Ik wist er eigenlijk niets van. Ik zat ver weg en luisterde niet naar de Nederlandse radio. In Laren, bij hotel Hamburger, vroeg ik of ze wisten waar Willeke Alberti woonde. Dat konden ze me vertellen, en ik ben met knikkende knieën naar het huisadres gegaan van de in die dagen allergrootste vedette die Nederland rijk was. Ik was helemaal versteld dat ze zelf opendeed en mij als 28-jarige vreemde snoeshaan zomaar binnenliet.”


En zij wilde zomaar naar jouw hotels komen?

“Ze moest er een nachtje over slapen, maar uiteindelijk stemde ze toe, op voorwaarde dat ze een paar mensen mocht meenemen, zoals haar vader, Willy. Ik vond dat prachtig. Dan kon ook Willy bij me gaan optreden. Ze wilde bovendien haar vaste pianist, Tonny Eyk, meenemen. Die ontving ik natuurlijk met open armen. En vooral haar nieuwe vriendje, ene John de Mol.”

Als tussengerecht serveert gastheer Ron Blaauw een bouillabaisse met gamba, artisjok en oude kaas. Daarbij schenkt hij een Chateau Cavalier Ctes de Provence.

Hoe kreeg je al die artiesten zover? Betaalde je zo goed?

“Geld is ondergeschikt. Ik bewonder ze en leg ze daarom in de watten. Ik vond het een eer dat ik mijn eigen penthouse boven het hotel ter beschikking kon stellen. Dan hoefden die artiesten niet in hun zwemkleding tussen de andere gasten te vertoeven. Ik wist dat als Willeke, die toen dertig was, in haar bikini naar het zwembad voor de gasten zou moeten, iedereen apegapend over het balkon zou hangen. Ze was in die dagen al ‘wereldberoemd’. Dus mocht ze komen zonnen op het dakterras van mijn penthouse, waar ze optimale privacy genoot. Dat werd door de coryfeeën van die tijd erg snel aan elkaar doorgebriefd. Met die troef in handen kon ik alle grote namen van die periode, onder wie Ronnie Tober en Ben Cramer, strikken om naar Spanje te komen. Tweemaal per week liet ik een topartiest uit Nederland optreden. Dat werkte enorm. Uit alle hotels in de omtrek kwamen de gasten ’s avonds naar mijn hotel. Tegenwoordig zie je dat bijna elk zichzelf respecterend vakantiehotel deze aanpak heeft omarmd, hoewel dat nog te vaak amateuristisch gebeurt.”


Via dat vriendje van Willeke, John de Mol, kwam je ook in Nederland zelf aan de bak?

“John vroeg me meermaals om samen met hem in Nederland iets soortgelijks op te zetten. In 1981 was het dan zover. Ik had net mijn toenmalige partner ontmoet en wilde met haar wel weer eens terug naar het vertrouwde vaderland. Eerst nam ik een ietwat saaie baan als manager sales en public relations van het Holiday Inn in Leiden. Toch bleef het verlangen naar show en entertainment me die kant op duwen. Na een jaar besloot ik naar Spanje terug te gaan. Maar diezelfde avond belde John de Mol. ‘Je moet nooit teruggaan naar een plek waar je eerder afscheid van hebt genomen,’ was zijn welgemeende advies. ‘Kom nu meteen met me praten voordat je je definitieve handtekening zet.’ John wilde samen met mij een evenementendivisie opzetten, maar ik was in die dagen te conservatief en besloot te kiezen voor een dienstverband in Nederland bij De Mol met bijbehorend vast salaris, en niet voor de helft van de aandelen. Ik had natuurlijk moeten gokken op de te verwachten winst. Dat is achteraf gezien in financieel opzicht mijn domste beslissing – het zou me anderhalf miljard hebben opgeleverd! Maar artistiek was het mijn allerbeste besluit.”

Er komt een tussengerecht op tafel: een asperge zoals je die zelden zult proeven met een coquille-eitje, prachtige doperwten en zilte groenten. Daarbij een Saint-Veran 2009.

Dat was nog in de tijd dat jullie moesten opboksen tegen Joop van den Ende?

“Joop verzorgde tot dat moment bijna alle grote evenementen. Ik had het geluk dat ik in contact kwam met de organisatie van het World Press Gala. Het jaarlijkse gala dat wij mochten organiseren groeide uit tot een begrip. Steeds met onverwachte combinaties, zoals operazangeres Cristina Deutekom, die ik liet optreden met de Amsterdamse politiekapel. Of de Aïda in de Beurs van Berlage met het Metropole Orkest, en een koor van honderd man met kamelen dat tussen de tafels doorliep. Het bedrijf John de Mol-Wentink werd booming. Ik kreeg de ene na de andere opdracht, tot in 1987 de beurs in elkaar donderde. Net als in 1973 stagneerde de omzet en ik stond voor de opdracht mijn bedrijf en medewerkers te redden.”


1987 was dus ook weer een rampjaar. Terwijl je bedrijf net lekker van de grond was gekomen. Hoe heb je dat aangepakt?

“Geen pas op de plaats gemaakt, en zeker geen stap terug gedaan. In moeilijke tijden moet je juist een stap voorwaarts doen. Ik maakte een afspraak in Rotterdam met Ria, de vrouw van de toenmalige minister-president Ruud Lubbers. Ik wist haar voor een eenmalige voorstelling te strikken als Eliza Doolittle, het bloemenmeisje in My Fair Lady. Bij die gelegenheid kreeg ik een déjà vu die me deed denken aan Willeke Alberti – ook Ria Lubbers bleek heel toegankelijk.

“Ze ontving me in de keuken, had een mok koffie in haar hand en vroeg me of ik ook een bakkie lustte. Zes weken werd er in het geheim gerepeteerd. Lubbers zelf wist van niks – die was veel te druk. Achteraf was hij totaal verbijsterd. Ik hoorde later van Ria dat ze na de voorstelling zwijgend naar huis zijn gereden, zo verbaasd was hij dat hij zijn vrouw op het podium had gezien als Eliza, met als tegenspelers John Kraaijkamp sr. als Doolittle, Ron Brandsteder als Higgins en Erica Terpstra als het kamermeisje.

“Het was vooral aan Thomas Lepeltak van De Telegraaf te danken dat deze vondst volop media-aandacht kreeg. Ik ben me ervan bewust dat ik veel aan die man te danken heb. Daardoor stroomden de opdrachten binnen.”

Na nog een tussengerecht met bloemkool en voorjaarstruffel wordt de hoofdschotel geserveerd: eend met aubergine, basilicum en gemarineerde groenten, met daarbij de Alberice Schioppettino Friuli 2008.

En toen kwam de Golfoorlog van 1991.

“Dat was het jaar waarin George Bush senior Irak aanviel om Koeweit te ontzetten. Net als nu en in 2001, met het uiteenspatten van de internetbubble, ging het slecht met veel bedrijven. Op zulke momenten merk je heel goed dat een entertainmentbedrijf een soort economische barometer is. Van de ene op de andere dag stagneerde de omzet. Bovendien had ik net heel wat topmensen opgeleid. Die hadden in de periode daarvoor gezien dat het goed ging, en daarom waren er een paar voor zichzelf begonnen. Juist in die crisistijd, met weinig vissen in de vijver, werden dat je concurrenten. We hadden enorm veel overhead, en zij konden onder de prijs duiken. Wat te doen?


“Samen met John bedacht ik toen de multifunctionele locatie met daarin als centraal punt een dinnershow. We hadden magazijnen vol prachtige kostuums die we overhielden aan televisieshows waar verder niet al te veel aan verdiend was. Zo kwam ik ook aan de fraaie muziekbanden en de choreografie. Daarin zat uiteindelijk de winst. Wat ik voor televisie deed, kon ik makkelijk nog eens herhalen bij de dinnershows die ik in mijn hoofd had zitten. In mijn optiek moest dat eens per week gebeuren. Dat waren meteen prachtige gelegenheden om aan potentiële klanten te laten zien wat we allemaal in onze mars hadden. Zo kon ik tegen kostprijs dingen neerzetten die ik gebruikte als marketingtool voor grote bedrijfsfeesten en evenementen. De televisieman John de Mol, die zelf niets met live entertainment op locatie heeft, zag meteen de meerwaarde en was ogenblikkelijk enthousiast. Zo ontstond de eerste Studio 21-show.”

Het dessert is gemaakt met chocolade, karamel, aardbei en biet. Als verrassende wijn serveert Ron Blaauw Ouma se-wijn, een Zuid-Afrikaanse landgoedwijn van Weltevrede uit 2007.

En nu dus opnieuw een crisis. Hoe heb je dat nu aangepakt?

“Wie gaat zitten wachten tot het wel weer overwaait, doet zichzelf en de hele maatschappij tekort. Het is helemaal niet gek om achtennegentig van de honderd keer je neus te stoten, als je die andere twee keer maar succes hebt en verder kunt. Dat is ondernemen, dat is zaken doen. Maar ik ben inmiddels toe aan een nieuwe uitdaging. Ik wil de periode die me nog rest wat meer tijd voor mezelf proberen te vinden. Daarom ben ik op zoek gegaan naar een overnamekandidaat voor het bedrijf, zodat mijn medewerkers een mooie toekomst tegemoet kunnen gaan. Die heb ik gevonden. RTL zet mijn levenswerk voort. Ik vertrek nu naar Las Vegas om de laatste show samen te stellen. Voor het eerst doe ik dat niet alleen, maar samen met anderen. Dat is nieuw voor mij, en ik zie nu al de voordelen. Het wordt nog spectaculairder. Als die show volgend jaar in première gaat, is dat tevens mijn afscheid. Kan ik eindelijk eens kijken of er toch nog een leuke vrouw te vinden is die haar leven met me zou willen delen.”


Ron Blaauw is weg uit het pittoreske Ouderkerk. Hij vond in Amsterdam aan de achterzijde van het Vondelpark een nieuwe stek met meer allure, een internationale uitstraling en een hoger serviceniveau. Zijn kookwijze is nog steeds hetzelfde. Zijn handelsmerken zijn innovatie en productverbetering. De gerechten zijn licht, speels en fantasierijk.

Je moet wel weten wáár je reserveert: schuin tegenover Blaauw (met twee a’s) zit namelijk het uitstekende Indonesische restaurant Blauw (met één a), waar HP/De Tijd enkele maanden geleden at met politiecommissaris Bernard Welten. Die twee restaurants met bijna dezelfde naam zorgen voor veel verwarring bij taxichauffeurs. Voor de gasten is het allemaal minder erg – het zijn immers twee topzaken, en ook deze Blaauw verdient met gemak negen HP’tjes.