Internet tast ons denkvermogen aan

Met het artikel Is Google Making Us Stupid? ontketende de Amerikaanse journalist Nicholas Carr (52) een wereldwijde discussie over de langetermijneffecten van internet. In een boek werkt hij die ideeën verder uit.

Met zijn rechthoekige brilletje, krulhaar en voorzichtige woordkeuze komt Nicholas Carr niet bepaald over als een dwarsligger. Toch profileert de 52-jarige internetjournalist zich al jaren als een IT-criticus pur sang. Als redacteur van de prestigieuze Harvard Business Review ontketende hij acht jaar geleden een kleine rel door te betogen dat informatietechnologie voor bedrijven nauwelijks nog strategische waarde heeft, omdat IT zo vrij verkrijgbaar is. Het kwam hem op een openbare schrobbering van zowel Hewlett Packard en Microsoft als Intel te staan. In 2005 deed hij er in MIT Sloan Management Review nog een schepje bovenop door te verkondigen dat IT-diensten op termijn niet meer dan een nutsfunctie zullen vervullen. Datzelfde jaar richtte hij zijn pijlen op vrijwilligersprojecten als de gratis online encyclopedie Wikipedia, die volgens hem van een pijnlijk amateurisme getuigden. Wikipedia-oprichter Jimmy Wales kon niets anders dan toegeven dat de door Carr aangehaalde voorbeelden inderdaad ‘weerzinwekkend gênant’ waren en beloofde beterschap. Wereldwijde beruchtheid verwierf Carr drie jaar geleden met het artikel ‘Is Google Making Us Stupid?’ in The Atlantic, waarin hij aantoont dat langdurig internetgebruik niet alleen de concentratie en het leervermogen, maar ook de fysieke bedrading in de hersenen aantast. Het boek The Shallows (in Nederland vertaald als Het ondiepe), waarin Carr zijn ideeën verder uitwerkte, werd dit jaar genomineerd voor een Pulitzerprijs.

Meneer Carr, maakt internet ons werkelijk dommer?
“Ik zou eerder zeggen oppervlakkiger. Internet biedt een niet aflatende stroom aan prikkels, waardoor we de neiging krijgen om informatie te scannen in plaats van te doorgronden. De geconcentreerde en lineaire manier van denken die we sinds de uitvinding van de boekdrukkunst hebben ontwikkeld, wordt hierbij verdrongen door een nieuw soort bewustzijn, dat informatie alleen maar kan opnemen via een spervuur aan fragmenten.”
Dat klinkt nogal alarmistisch.
“Het probleem is dit: de kakofonie aan prikkels veroorzaakt kortsluiting in zowel ons bewustzijn als ons onderbewuste, en verhindert de geest om diep en creatief te denken. Telkens als we online gaan, betreden we een omgeving waarin oppervlakkig lezen en vluchtige gedachten gestimuleerd worden. We stellen ons bloot aan een virtuele hogesnelheidslijn voor interactief gedrag dat onmiddellijk wordt beloond met een respons.”
Mensen verzetten zich aanvankelijk altijd tegen nieuwe technologieën. Zo zou de stoomtrein ertoe leiden dat de koeien zure melk geven.
“Nieuwe technologieën gaan bijna altijd gepaard met een veranderd bewustzijn. De uitvinding van de landkaart heeft ons natuurlijke oriëntatievermogen verdrongen en de ontwikkeling van het schrift leidde ertoe dat we ons minder poëtisch kunnen uiten dan de mondelinge culturen die ons voorgingen. Die gebreken werden tot nu toe echter ruimschoots gecompenseerd. Dankzij de landkaart is het mogelijk om onze fysieke omgeving te abstraheren, en het alfabet legde de basis voor een wetenschappelijke revolutie. Met internet bestaat er echter een reële kans dat we meer moeten opgeven dan we ervoor terugkrijgen.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

jeroen ansink