Een goed gesprek met Paul Haenen & Remy van Kesteren

Remy van Kesteren (22) is een van de zeldzame mannen die harp spelen, maar dan wel meteen op hoog niveau en over de hele wereld. Op zijn vijftiende speelde hij in de Carnegie Hall in New York en een jaar later in de grote zaal van Het Concertgebouw in Amsterdam. Komende weken is hij te zien in een concertreeks onder de titel NJO Muziekzomer. Een gesprek met een uitzonderlijk talent.

Op welke leeftijd werd je geconfronteerd met de harp?

“Van kinds af aan was ik al met muziek bezig en probeerde ik klanken na te doen. Alles wat ik hoorde wilde ik nadoen, -zingen en -dansen. Mijn moeder hield van Ierse muziek en in die muziek is de harp hét instrument. Zelf speelde mijn moeder fluit; niet professioneel, maar als hobby. Op een dag speelde ze samen met een harpiste. Die vrouw had een flinke tuin met een schommel, dus ik ging mee om in de tuin te spelen en te schommelen. Plotseling hoorde ik door het open raam de muziek die ik al zo vaak gehoord had, zo mooi. Ik wilde nu weleens weten wat het was, en toen ik de harp voor het eerst zag, wist ik meteen dat dit mijn instrument zou worden. Maar ik was vijf jaar en moest nog even wachten van mijn moeder, omdat kinderen de ene keer dit en de andere keer dat willen. Die harp stond me jaren later nog zo helder voor de geest, dus uiteindelijk mocht ik les nemen.”

Hoe reageerden je vriendjes op je harp?

“Ach, ik ben er nooit zo mee bezig geweest wat anderen van de harp vinden en wat anderen vinden van een man die harp speelt. Je hebt nog steeds mensen die de harp meer bij vrouwen vinden passen dan bij mannen. Ik heb me daar nooit wat van aangetrokken en ben altijd mijn eigen gang gegaan. En mijn moeder liet me ook mijn eigen gang gaan.”

Je had dus wel een gelukkige jeugd.

“Wat dat betreft zeker, ja.”

Wat wat betreft dan niet?

“Ik kom uit een redelijk gecompliceerde gezinssituatie, met stiefvaders, scheidingen en veel gedoe. Maar ik heb altijd muziek om me heen gehad en dan hoefde ik me om andere dingen geen zorgen te maken. Vanaf mijn zesde ben ik Ierse harp gaan leren spelen – niet op de muziekschool, maar op privéles. En ik leerde daar geen noten lezen, zoals op de muziekschool, maar voorspelen en naspelen. Mijn docent speelde dan een stukje voor en ik probeerde het zo goed mogelijk na te spelen. Daardoor heb ik mijn gehoor heel goed ontwikkeld, iets waar ik nu nog steeds veel aan heb. Als je samen speelt, moet je heel goed kunnen luisteren, en dat kan ik. Doordat ik muziek kon maken, heb ik een prima jeugd gehad en mijn moeder heeft me altijd erg gestimuleerd.”


Wel mooi dat je van jongs af aan een soort vriend in je harp hebt gehad.

“Ja, en tegelijkertijd maakt muziek maken je erg onzeker. Het is een verschrikkelijk beroep, omdat je alles van jezelf laat zien. Een goed musicus laat zien wat voor mens hij is. Als een optreden niet zo goed gaat, is dat meteen ook een persoonlijk falen.”

Kan die onzekerheid uit de hand lopen?

“Ja natuurlijk, dat gevaar is er continu. Op het moment dat je beter wordt en steeds meer weet, realiseer je je ook wat je allemaal níet weet. Dat maakt je onzeker.”

Maar je blijft het, ondanks de onzekerheid, wel met plezier doen?

“Het is belangrijk om dat vast te houden. Bij muziek gaat alles om het vertellen van een persoonlijk verhaal en het publiek moet meegenomen worden in dat verhaal. Het verhaal moet kloppen, oprecht en puur zijn. Het gevaar is dat je die puurheid verliest als je avond na avond concerten moet geven. Dat de oprechtheid plaatsmaakt voor maniertjes. Het belangrijkst vind ik dat alles echt blijft. Dat je open blijft staan. Als iemand foutloos speelt, maar niks vertelt, vind ik dat veel erger dan iemand die fouten maakt maar – als is het maar één – een waanzinnig moment overbrengt. Het nemen van risico’s is zo belangrijk in de muziek. Je moet ernaar streven dat alles perfect gaat, maar tegelijkertijd, als je gaat spelen, moet je dat allemaal vergeten en laten gebeuren wat er op je afkomt. Muziek kun je niet opslaan in een museum – het moet elke keer weer opnieuw ontstaan. Dat is een hele verantwoordelijkheid, maar dat is ook meteen het mooie ervan.”

Is je muziekleven te combineren met je privéleven?


“Het ís mijn privéleven – ik heb helemaal geen leven daarnaast. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed. Ik weet niet anders. Ik heb ook geen weekend of zo. Dan zeggen mensen: “Goed weekend!” Daar heb ik nog nooit van gehoord.”

Je hebt geen vrouw en kinderen.

“Ik heb een vriendin, en die is ook muzikant. Ze woont nu in Londen en we zien elkaar een keer per maand.”

Is dat niet weinig?

“We zijn net vijf jaar samen, dus we waren er redelijk vroeg bij. Een jaar nadat we elkaar hadden leren kennen, zijn we al gaan samenwonen, met als achterliggende gedachte dat we behoorlijk ambitieus zijn, dus elkaar in de toekomst waarschijnlijk niet zo veel zullen zien. Toen zagen we elkaar veel, en nu dus minder. Je contact is ook anders als je elkaar eens in de zo veel tijd ziet – het is kort, maar wel weer hevig.”

Je kiest voor de muziek, reist de wereld af, treedt op in de grootste concertzalen… Zie je weleens tegen een concert op?

“Nee, nooit. Ik weet nog dat ik de eerste keer in Het Concertgebouw speelde, in de grote zaal, een harpconcert van Debussy, een hartstikke moeilijk werk. Ik was zestien en vond het ongelooflijk spannend om in die zaal te spelen. Ik weet nog heel goed dat ik achter de deuren naar het podium stond: twee mannen openden de deuren en het was net of ik uit een vliegtuig moest springen. Dan zie je die hele volle zaal – dat was zo ontzettend gaaf – en dan moet je die trappen afrennen…”

Was je niet bang om te vallen?

“Daar heb ik niet over nagedacht. Ik weet zeker dat mijn moeder heel bang was, want ik was een enorme brekebeen vroeger. Maar het was een fantastische ervaring. Je krijgt daar zo’n waanzinnige stoot adrenaline van. Van het concert zelf weet ik me niks meer te herinneren. Daarna heb ik nooit meer dat speciale gevoel gehad.”


Stimuleert je moeder je nog steeds?

“Ja, ze is nog heel vaak bij concerten. Maar stimuleren hoeft niet meer, afremmen wel, al ben ik niet af te remmen. Nu met de NJO Muziekzomer is het helemaal druk. Dat is een groot jaarlijks muziekfestival. Er komen dan honderden getalenteerde musici uit de hele wereld naar Gelderland en dan worden er een paar orkesten geformeerd die onder leiding staan van gerenommeerde dirigenten. Het is een festival met zeventig concerten door heel Gelderland. Sinds een paar jaar vragen ze elk jaar een artist in residence om een programma te komen maken, en dit jaar vroegen ze mij. Ik mocht doen wat ik altijd al had willen doen. Ze vroegen welke muzikale ideeën ik had die nog nooit waren uitgevoerd. Ik had veel ideeën, maar uiteindelijk zijn er vier uitgekomen die het meest realistisch waren.

“Inmiddels gaat het om dertien concerten en vier verschillende programma’s – in totaal zeventien stukken waarvan zeven wereldpremières, stukken die speciaal voor mij geschreven zijn. Het is zo ongelooflijk veel. En dan zijn er wel mensen die vinden dat ik wat moet afremmen. Maar dat doe ik dus niet, want ik wil het zo. Ik heb de tijd ervoor en ik heb er zin in ook. Zo’n kans, dat ik nu bijvoorbeeld met Claron McFadden ga samenwerken – dat is zo’n waanzinnige zangeres – daar kun je alleen maar van dromen.

“En ik wilde ook iets met taal doen. Zo kwam ik bij de vertaling die Kees van Kooten had gemaakt van een dichtbundel van Billy Collins, een Amerikaans dichter. In Nederland is hij niet zo bekend, maar in Amerika behoort hij tot de allergrootsten. Hij gebruikt veel humor in zijn gedichten en ze zijn voornamelijk populair onder jongeren. We hebben dat gegeven, die gedichten, gebruikt om een heel nieuw programma te maken. De gedichten worden vertaald naar muziek. Drie componisten hebben zes gedichten uitgezocht en daar een muziekstuk van gemaakt voor harp en zang. En Kees van Kooten – hij is echt een taalvirtuoos – vertelt dan over zijn vertalingen. Het worden heel bijzondere avonden.”


Je houdt van combineren. Je beperkt je niet tot de harp alleen.

“Ik ben verhalenverteller. Dat begrijp ik ook niet van mensen die zich van kinds af aan opsluiten, wat je wel in Rusland en Azië ziet, en vervolgens wel de moeilijkste stukken eruit kunnen slaan, maar geen verhaal vertellen. Je moet dingen hebben meegemaakt om te kunnen vertellen. Je moet geïnspireerd raken, door mensen te ontmoeten, met ze te gaan eten. Je moet het echte leven laten horen in de muziek. Daarom zijn dit soort ontmoetingen een geweldig cadeau.”

Mooi dat je je sinds je vijfde blijft ontwikkelen, open in de maatschappij staat en de liefde voor de harp trouw blijft.

“Nou, het is wel een beetje een haat-liefdeverhouding. Ik vind het een heel mooi instrument en ik kan me ook niet voorstellen dat ik op een ander instrument overstap, maar het heeft ook zijn beperkingen. Soms, als ik een viool hoor, zou ik niets liever willen dan viool spelen. Dan kan ik het niet uitstaan dat bepaalde technieken op viool wél kunnen maar niet op de harp. En in eerste instantie is dat dan een grote frustratie, maar daarna vraag ik me af of er toch niet meer uit die harp te halen is.”

Je praat heel menselijk over de harp, haast alsof het een vrouw is met wie je een haat-liefdeverhouding hebt. Dat je jouw vrouw vergelijkt met een andere vrouw en merkt dat een andere vrouw meer mogelijkheden heeft. Dat frustreert je en daarna vraag je je af of er ook niet meer uit je eigen vrouw te halen is.

“Ja, zo zou je het kunnen zien. Maar kijk, de harp is voor mij een instrument. Een prachtig instrument, maar het blijft een instrument.”


Dat is misschien ook maar het beste. Hoe zie je je ontwikkeling?

“Om mijn harpspel verder te ontwikkelen, ga ik dit jaar les volgen in Parijs bij Isabelle Moretti, een harpiste die ik echt waanzinnig vind. En ik ga ook bij andere musici, die geen harp spelen, lessen volgen. Die hebben soms heel interessante invalshoeken. Ze zeggen in eerste instantie dat ze niks met de harp hebben, maar dat vind ik juist prettig, want daardoor kunnen ze vrijuit spreken. Ze kunnen mij zeggen wat ze willen horen en ik kan dan proberen dat uit de harp te halen. Door naar iemand te luisteren die er eigenlijk niks van af weet, leer je weer nieuwe dingen. Maar ik blijf dus de komende tijd bezig met de harp en ik zou totaal niet weten wat ik zonder harp zou moeten, omdat het zo’n belangrijk deel van mijn leven is. Zonder harp zou ik, om het dramatisch te zeggen, een beetje invalide zijn. Haast alsof ik niet meer zou kunnen praten.”

Meer informatie over NJO Muziekzomer op www.njo.nl.

The Colour Kitchen is een prettig restaurant in Utrecht. Een bedrijf met een missie, zoals ze zelf zeggen. Ze investeren in diversiteit en leiden mensen op die hun kansen in de maatschappij willen verbeteren. Voor meer informatie verwijs ik u naar hun website: www.thecolourkitchen.com.

Remy en ik namen allebei het Teaser-menu. Het was in het restaurant een stille avond – dat komt misschien ook door de ligging, ver van het centrum. Goed eten en een prettige bediening. We geven The Colour Kitchen 8 HP’tjes.