Van top tot teen in plastic

Hoe is het om iemand in quarantaine te verplegen? HP-redacteur Ivo van Woerden werkte in het ziekenhuis en weet nog goed hoe ingewikkeld dat is. Bovendien is het systeem niet waterdicht. ‘Weer dat marsmannetjestenue aan om een boterham met kaas te bezorgen.’

Heb ik alles? Verbandmiddelen, schoonmaakmiddelen, eten en drinken dat niet meer op een aardewerken bord en in een beker klaarstaat, maar dat is overgeheveld naar wegwerpplastic? Heb ik de post? En staan de thermometer en de bloeddrukmeter wel klaar op de kamer?

Ik sta in de gang van een groot academisch ziekenhuis voor de deur van een patiënt die besmet is met MRSA. Door het raampje in de deur gluur ik naar wat er al op de kamer staat, zodat ik dat niet hoef mee te nemen. Door mijn hoofd raast wat ik straks nog moet doen. Ik probeer niet af te dwalen. Het draait nu om de MRSA-patiënt. Hij ligt in quarantaine.

Ik check en dubbelcheck. Ik tik op het raampje om zijn aandacht te trekken en roep of ik nog iets mee moet nemen. Hij hoort me niet. Ik doe de kamerdeur op een zo klein mogelijke kier: “Ik kom zo naar binnen! Heeft u nog iets nodig? Extra drinken? Appelsap?”

Ik zet gelijk maar een heel pak klaar. Dan hoef ik of een ander straks niet weer naar binnen. Om hem te kunnen verzorgen, moet ik me namelijk volledig in beschermende wegwerpkleding hijsen. Dat kost veel tijd en is bovendien niet goedkoop. Hoe minder ik op de kamer kom, hoe kleiner de kans dat de bacterie zich aan me hecht.

Eenmaal op de kamer kan ik er ook niet zomaar af. Dan zou ik de bacteriën die op de beschermende kleding kunnen zitten, makkelijk verspreiden. En eigenlijk is er geen tijd om de hele aankleedexercitie opnieuw uit te voeren. Daarom heb ik een collega ingeseind dat ik zo naar de MRSA-kamer ga en gevraagd of zij mijn pieper wil dragen en naar de bellen wil gaan die daarop binnenkomen. We spreken ook af dat als ik toch nog iets vergeten ben, ik op de bel druk. Als ze dan komt, kan ze me direct aangeven wat ik nodig heb.


Omdat ik nu al te veel spullen heb om te dragen, roep ik een stagiair. “Over twee minuten ga ik hier naar binnen,” zeg ik. “Dan heb ik je hulp nodig. Je doet handschoenen aan en je geeft me alles wat ik nu zelf niet kan dragen. Goed? Tot zo.”

Daar gaan we. Eerst was ik mijn handen. Dan doe ik een blauwe muts over mijn haar en oren. Uit een doos vis ik een mondkapje dat over mijn neus en mond gaat. Ik doe een geel synthetisch schort voor dat mijn hele lichaam bedekt. Er zit een sliert aan die ik rond mijn lichaam draai en op mijn buik vastknoop. Daarna doe ik handschoenen aan. Ik pak zo veel mogelijk vast en duw met mijn voeten de deur ver genoeg open om erdoorheen te gaan. Binnen leg ik de spullen neer en dan spoed ik me snel naar de deur om via een kier de rest aan te pakken. Gelukkig staat de stagiair klaar.

“Hallo,” zeg ik tegen de patiënt.

“Ivo?” vraagt hij. Voor hem ziet iedereen er, op lengte en ogen na, hetzelfde uit.

Na ongeveer een minuut in de kamer begin ik heftig te zweten. De synthetische kleding werkt als een sauna. En voorlopig ben ik nog niet klaar. Deze meneer heeft een wond die ingewikkeld is om te verbinden. Hij was op vakantie in Turkije, wilde de straat oversteken en werd geraakt door een auto. Na behandeling in een Turks ziekenhuis vloog hij naar Nederland. Thuis bleek de wond niet goed geheeld, dus zocht hij hulp bij het ziekenhuis.

Toen bij zijn opname bekend werd dat hij in het buitenland was verpleegd, zuchtte de hele afdeling. Dergelijke patiënten moeten zonder uitzondering in quarantaine tot vaststaat dat ze geen MRSA hebben. Een wond die niet wil helen is meestal al een indicatie voor een positieve uitslag – en een voorbode van een lang verblijf.


Dat is voor niemand leuk. Om te beginnen niet voor de patiënt, want eenmaal in quarantaine heeft hij minder aanspraak. Verplegend personeel loopt namelijk niet zomaar binnen. Patiënten voelen zich een paria, hebben ze ons verteld. De dokter slaat hen bij een visite over als hij nog een operatie moet uitvoeren; hij betreedt graag MRSA-vrij de operatiekamer (OK). Moeten ze zelf onder het mes, dan zijn ze de laatste patiënt die die dag wordt geholpen, zodat de hele OK daarna kan worden gesteriliseerd. Een patiënt mag pas naar de OK worden vervoerd als zijn bed van top tot teen is schoongemaakt met alcohol en een pasgewassen laken volledig over zijn lichaam is getrokken, alsof hij is overleden. Bovendien voelen MRSA-patiënten zich regelmatig schuldig over iedere vraag die ze stellen: jij moet namelijk wéér dat hele marsmannetjes-tenue aan om ze een boterham met kaas te bezorgen.

Het verplegend personeel staat ook niet te juichen bij een quarataine-procedure. De synthetische kleding is irritant en zit in de weg. Als pas later blijkt dat een van de patiënten MRSA heeft en jij die patiënt onbeschermd hebt geholpen, moet je zelf ook getest worden. Met een wattenstaaf wordt er speeksel uit je keel gehaald, wordt er in je neusholte gepoerd en moet er langs het perineum (het stukje huid tussen anus en geslacht) worden gestreken. Een kweek van de bacteriën die zich daar bevinden moet uitwijzen of er een MRSA-besmetting is. Wie pech heeft, moet verplicht een week of vier thuiszitten en zijn complete garderobe wassen. Contact met zieke of zwakke mensen is uitgesloten. Ten slotte kun je in de tijd tot de besmetting wordt bevestigd in plaats van genezer onbedoeld een verspreider van ziekmakende bacteriën zijn geweest. Sommige patiënten zijn zo zwak dat de MRSA-bacterie hun het laatste zetje geeft, waardoor ze overlijden. Dat wil niemand op zijn geweten hebben.


Ik buig me over de wond van mijn MRSA-patiënt. Die maak ik goed schoon en ik doe er verband omheen. We praten over koetjes en kalfjes. Over wat er op televisie was en over hoe het met hem gaat. Hij probeert de moed erin te houden en kijkt uit naar het ophanden zijnde bezoek, al moet dat zich ook volledig in beschermende kleding hullen. Eenmaal uitgekletst dienen de vrienden en familieleden die weer uit te doen, hun handen goed te wassen en direct het ziekenhuis te verlaten. Stoppen in de kantine of in het winkeltje is verboden, laat staan dat ze een andere patiënt mogen bezoeken. Eenmaal buiten moet de wind de bacteriën wegwaaien.

Als ik de kamer wil verlaten, zie ik dat de vuilniszak vol is. Ik druk op de bel voor assistentie. Mijn collega moet nu handschoenen aandoen en buiten met een lege vuilniszak klaar gaan staan. Zodra ze er is, doe ik de deur op een kier en worstelen we mijn volle zak in haar lege. Het idee is dat de bacteriën die aan de buitenkant van mijn vuilniszak zitten, nu alsnog worden gevangen. Zij tilt de zak daarna direct van de afdeling.

Dan ben ik klaar en komen we bij de zwakke plek in deze gang van zaken. Isolatie-patiënten worden bij voorkeur verpleegd op kamers met dubbele deuren en daartussen een luchtsluis, zodat bacteriën de kamer moeilijker uit kunnen komen. In die sluis kun je je omkleden. Ideaal. Maar het aantal kamers met sluizen is helaas op de vingers van één hand te tellen.

Ik bevind mij met de patiënt in een ‘gewone’ kamer. Wanneer je de deur op een kier zet om naar binnen te gaan, ontstaat er een open verbinding met de afdeling en kan de bacterie in theorie naar buiten waaien. De kamer verlaten is extra moeilijk. Omdat de beschermende kleding nu vol kan zitten met bacteriën, moet ik mijn hele pak op de kamer uittrekken. Het mondkapje bewaar ik voor het laatst, omdat de MRSA-bacterie zich het liefst in keel en neus nestelt. Met het uitkleden gaat de lucht wervelen, waardoor de bacteriën kunnen gaan ronddwarrelen. Daarom pas ik zo goed mogelijk op.


Desondanks sta ik aan het einde van de rit onbeschermd en met klotsende oksels in het vertrek van de MRSA-patiënt. Voor ik weg mag, moet ik mijn handen goed wassen en nawrijven met alcohol, en eenmaal buiten moet die wasbeurt nog een keer over. Nu maar hopen dat de resistente bacil zich in de tussentijd niet snel aan mijn schoeisel, broek of pak heeft gehecht. Anders is alles voor niets geweest.