Wereldvreemde wetenschap

Uilskuiken van de week: Joop Hartog

In het najaar van 2007 had ik het voorrecht om een half jaar als journalist-in-residence te mogen verblijven aan het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) te Wassenaar om er te kunnen werken aan mijn boek Lelystad, dat een jaartje later verscheen.

Ik was daar in gezelschap van zo’n veertig wetenschappers van over de hele wereld, die door hun universiteit waren vrijgesteld om in een ‘stimulerend internationaal klimaat’ één of twee semesters lang academisch onderzoek te verrichten.

Allemaal hadden we ons eigen kamertje, er was een vriendelijke staf die overal mee hielp en een bibliotheek met medewerkers die naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag pendelden voor door ons opgevraagde boeken.

De discipline die er heerste aan het instituut fascineerde mij. Om half één stipt klonk in ieders vertrek een intercomstem (“Dear fellows, it’s time to go for lunch”), waarna de deuren opengingen en we van het fraai in de duinen gelegen hoofdgebouw naar ‘het ooievaarsnest’ liepen, een riante villa die behalve het restaurant een fitnessruimte en een bar herbergt. Na afloop van de lunch volleybalden we; ’s middags of ’s avonds waren er lezingen en soms uitstapjes.

Het merendeel van mijn mede-fellows verrichte boeiend onderzoek, naar een bepaalde Bantu-taal die ooit aan de Zambezi-rivier te Mozambique werd gesproken, naar een onbekende periode in de geschiedenis van het zoroastrisme, of naar de geschiedenis van de automobiel gedurende het Sovjet-tijdperk. Meestal was ik diep onder de indruk; ik kon mij dan ook goed voorstellen dat zij op hun vakgebied niet uitgekeken raakten.

Enkele onderzoeken riepen bij mij tegenovergestelde gevoelens op. Zo was er een fellow die de geschiedenis van de ambtseed onderzocht, een ander hield zich bezig met de vraag waarom mensen voor bepaalde pensioenvormen kiezen, weer een ander werkte aan een boek dat Probleemanalyse in organisatie- en beleidsonderzoek zou gaan heten.


Als dat boek af was, zou hij verdergaan met de vervolgdelen Ontwerp van organisatie- en beleidsonderzoek en Strategieën voor organisatie- en beleidsonderzoek. Een weemoedig gevoel van troosteloosheid overviel mij toen ik hiervan hoorde.

Een vergelijkbaar gevoel riep een interview met hoogleraar economie Joop Hartog in de Volkskrant vorige week bij mij op. Hartog heeft zich vastgebeten in de opvatting dat er te veel mensen in Nederland wonen. De uitlatingen in het interview vallen op door een verbazingwekkend gebrek aan objectiviteit.

Hartog zegt dat hij ‘gelukkig’ zal zijn als er vijf à tien miljoen mensen in Nederland wonen. Sinds wanneer is het eigen geluk een wetenschappelijk uitgangspunt, vroeg ik mij af. Hoe stelt Hartog zich die drastische bevolkingskrimp eigenlijk voor? Iets beters dan het afschaffen van de kinderbijslag weet hij niet te verzinnen; nog scherpere anti-immigratiemaatregelen mogen helaas niet van Europa.

Neem een voorbeeld aan Denemarken, zegt Hartog. Daar zijn ze met vijf miljoen en zeer gelukkig. Toch vreemd dan dat zich daar nog eerder dan in Nederland een rechtspopulistische onvrede heeft genesteld, compleet met een PVV-achtige partij in een Rutte-achtige gedoogconstructie.

Een ander probleem van Nederland, aldus Hartog, is dat er geen vrije grond meer is, ‘zoals in Amerika’. Er zijn hier ook geen oerwouden, vulkanen en woestijnen, kun je daaraan toevoegen. ‘Externe effecten’ noemt Hartog dit volslagen subjectieve geredeneer.

Vroeger, in Hartogs jeugd, woonden er minder mensen in Nederland en was alles beter. “Ik zwom als kind in de rivier. Dat kon niet meer, was te vuil, dus er werd een zwembad gebouwd.” In de Romeinse Oudheid, toen het water brandschoon was, waren er volgens mij ook al zwembaden.


Al deze nonsens kraamde Hartog uit tijdens zijn afscheidsrede; hij gaat met emeritaat. Om zijn ideaal een stukje dichterbij te brengen zou de hoogleraar emigratie kunnen overwegen, bijvoorbeeld naar Denemarken.

Joris van Casteren