Botenblues

Koop een boot en werk je dood! En: van een boot heb je twee keer plezier: als je ‘m koopt en als je ‘m weer van de hand doet. Toch werden drie HP/De Tijd-redacteuren besmet met het botenvirus.

“Spijt? Hoe kun je dat nou zeggen, schat? We hebben ‘m net! En die ene keer dat het mooi weer was en we de boot naar huis gingen varen vanaf Zaandijk, dat was toch hartstikke leuk?

Ja, ik vond het ook jammer dat we de halve vaartijd zaten te knikkebollen omdat we nachten wakker hadden gelegen over of we er wel verstandig aan deden toch een aanzienlijk deel van ons spaargeld in een drijvend (en mogelijk dus zinkend) object te steken. Maar dat stuk langs de Zaanse Schans en over het Noordzeekanaal was toch prachtig? En die eerste krassen die we onderweg in de Wilhelminasluis opliepen: dat is niet zonde, dat hoort gewoon bij het varende leven. Daar moet je niet zo moeilijk over doen.

Wat zeg je? Nee, ik had ook niet verwacht dat die boot zo tegen de kant zou schommelen toen ik met mijn 62 kilo heen en weer liep. Dan hadden we die krassen nu ook niet gehad. Dat hij van Poolse makelij is, kan daar inderdaad wat mee te maken hebben. Maar wij kunnen toch ook niet weten dat het zo veel uitmaakt hoeveel een boot weegt?

Wij hebben namelijk helemaal geen verstand van boten. Wij wilden alleen maar een ‘buiten’ bij ons Amsterdamse appartementje, om te kunnen zonnen en te relaxen in het weekend. Jou leek een bootje toch ook een ideale oplossing? Zolang we maar hard genoeg varen, merken we trouwens niet zo veel van dat geschommel. O, dat kan niet, want we hebben al te veel pk’s, en als de politie ziet hoe hard de boot vaart, krijgen we een dikke bekeuring.

Nou ja, ik ben allang blij dat we geen níeuwe boot hebben gekocht, zoals we eerst van plan waren. Dan waren die krassen pas echt zonde geweest.

Hoezo nu toch weer liever een nieuwe? Je vond het vervelend dat de vorige eigenaar geen papieren had bij het bootje? Maar hij heeft toch verteld dat-ie oorspronkelijk bij Huiberts Watersport vandaan kwam? Dat jouw collega nu 14.000 euro lichter en een in beslag genomen boot armer is, omdat hij zo nodig een gestolen boot moest kopen, wil niet zeggen dat ons hetzelfde overkomt. Je hebt dat toch gecheckt bij die Huiberts?


Nee schat, dat zou jíj doen; ík zou de jachthaven bellen, jíj zou Huiberts bellen.

Ach, we hebben altijd nog dat zelf in elkaar geflanste koopovereenkomstje om op terug te vallen. O, dat had je collega ook, en toch krijgt hij niks terug. Misschien dat de verzekering het dekt dan.

Daar kun je je niet tegen verzekeren? Dat klinkt ook wel weer logisch, ja. Maar zelf zijn we uiteindelijk toch wel verzekerd tegen diefstal, toch? Ja, ik weet dat dat wel duizend euro per jaar extra kost, omdat we hem daarvoor in een jachthaven moeten leggen, terwijl er voor de deur plaats genoeg is. Maar het is ook belachelijk dat je je boot altijd met één muisklik kunt verzekeren tegen diefstal, behalve als je in de ultieme grachtenstad Amsterdam woont.

Uiteindelijk is een bewaakte jachthaven ook wel fijn, toch? Al heb je nu even die extra kosten. Nee, gespreid betalen lukt niet. De havenmeester was onverbiddelijk: alles moet in één keer en vooruit betaald worden. Hij kent zijn pappenheimers. Hij is zeker bang dat mensen door onverwachte uitgaven aan hun bootje de rekening niet meer kunnen betalen.

Over onverwachte uitgaven gesproken: ik ben dat dagelijkse hozen onderhand wel een beetje zat. Ik weet dat het niet handig is om nu meteen alweer een paar honderd euro aan een dekzeil uit te geven, maar dat zeiltje van die vorige eigenaar werkt voor geen meter. Het is te klein en je kunt het niet goed vastmaken, waardoor het na drie regendruppels inzakt.

Je denkt dat we aan een paar honderd euro niet genoeg hebben? Doe nou niet zo negatief, schat. Waarom niet? Je hebt toch dat bootzeil.nl, waar je voor 400 euro klaar bent?


O, omdat we een reling hebben, moet het volgens de zeilmaker op maat gemaakt worden… Maakt hij er dan meteen een kap voor de motor aan dan? Want die is er van het weekend afgewaaid. Met die storm.

Negenhonderd euro, mailt-ie, voor zo’n simpel zeiltje? En de zeilmaker kan het pas maken als het ophoudt met regenen, en dat zit er niet in de aankomende weken? O.

Wat zeg je, schat?

Ik ook spijt?

Nee hoor, het wordt heus nog wel één keer mooi weer voordat-ie in de winterstalling gaat. En dan zijn wij vast de gelukkigste nieuwe botenbezitters van Amsterdam.” Karen Geurtsen

Ik moest ook zo nodig een boot. Het is lente 2005. Ik heb een nieuwe vriendin, een nieuw huis en opeens een gracht voor de deur. Zodra er ook maar een halve zonnestraal door het wolkendek piept, zie ik het bootjesvolk zorgeloos langstuffen. Met één arm losjes aan het roer, de andere om een stralende schone geslagen, zelfverzekerd het avontuur tegemoet turend, altijd met koude rosé binnen handbereik. Ja, dat wil ik ook. Dat is helemaal mij. Denk ik.

De waarschuwing van een collega sla ik in de wind. “Van een eigen boot heb je tweemaal plezier: de dag dat je ‘m koopt en de dag dat je ‘m weer van de hand doet,” bezweert hij. Onzin, denk ik. Ik ga het anders doen.

O, wat ben ik enthousiast als ik mijn droomschip op Marktplaats zie staan. Lekker ruim (zes bij twee meter), met een stoere reling op de voorplecht en – afgaande op de fotootjes van postzegelformaat – zo goed als nieuw. Als eigenaar Klaas telefonisch bevestigt dat over de vraagprijs (350 euro) nog te praten valt, maken we meteen een afspraak. Op naar Friesland! (Inderdaad: verblind door de ogenschijnlijk uitstekende prijs/kwaliteitverhoudingen lijkt het plotseling totaal onbelangrijk dat mijn vaartuig 125 kilometer verderop ligt, in Franeker.)


Op de parkeerplaats van het plaatselijke Tulip Inn-hotel ontmoeten we de zwijgzame zeebonk Klaas, die ons voorrijdt naar een scheepswerf op een industrieterrein. Achter de werf, naast het autokerkhof, staat een tiental boten.

Daar staat-ie dan, op een verroeste trailer: een gigantische badkuip met een berg rommel erin. Het is een afgezaagde kajuitboot, alleen is het werk niet afgemaakt. Het toilet is er al uitgesloopt, vertelt Klaas, maar we zien nog meters elektriciteitsdraad en lukraak neergekwakte brokken spaanplaat, polyester en hout. En… er staat een flinke laag lichtbruin water in. Maar dat is goed nieuws, zo doceert Klaas: het water bewijst dat hij niet lek is.

We zien het helemaal zitten. In een weekend maken we de boot schoon, smeren we er een likje verf op, leggen we er een vlondertje in en als het een beetje meezit, varen we ‘m meteen terug naar Amsterdam. Hebben we de hele zomer nog voor ons, ontspannen varend over de grachten.

Voor 250 euro mogen we ‘m hebben. Geen geld.

We dopen onze aanwinst Arie (als Jules Deelder zijn dochter Ari mag noemen, dan wij toch zeker ook wel een boot?) en gaan shoppen. Daar blijkt voor het eerst dat de nautische wereld niet op de kleintjes let. Na aanschaf van een schuurmachine, schoonmaakmiddelen en jachtverf zijn we 331 euro kwijt. Die middag komt daar nog 280 euro bij voor hout, 70 euro voor een hogedrukspuit en 200 euro voor een buitenboordmotor.

Dat op maat timmeren, zagen en schroeven blijkt moeilijker en tijdrovender dan gedacht. We boeken nog maar een weekendje Franeker. En nog één.

Dan, als Arie net een beetje toonbaar wordt, komt een collega-botenbezitter een praatje maken. “Aardig bootje. Wist je trouwens dat-ie lek is?”


Volgt een reeks beginnersfouten. Ik schaf een kortstaartmotor aan – het ding steekt onder de achtersteven uit. Ik probeer zelf gaten te dichten met amateur-polyester van de Gamma. Ik houd te weinig ruimte tussen planken over zodat ze kromtrekken. Dat werk.

Maar toch, als er eenmaal een enigszins werkende motor achter hangt (een Chrysler uit mijn geboortejaar, 1976) vergeten we alle ellende. Varen door Amsterdam geeft een heerlijk vrij gevoel. Hoogtepunten zijn er zeker. Zoals de driedaagse vaarvakantie (bestemming: Vinkeveen). Sail Amsterdam 2005, waarbij de motor ons slechts één keer in de steek laat, midden op het IJ. De verhuizing per boot, waarbij ik al mijn bezittingen droog over kreeg én die uitmondde in een spontaan feestje aan boord. Picknicken aan boord op de Loosdrechtse Plassen. Kamperen langs de Vecht.

De kosten rijzen wel de pan uit. Ik wilde voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, maar na een jaar heb ik al ruim tweeduizend euro uitgegeven. Als ik naar Utrecht verhuis, waar een ligplek niet zo vanzelfsprekend is als in Amsterdam, wordt het alleen maar erger. Ik besluit Arie in Loosdrecht te leggen, voor 450 euro per jaar. En Loosdrecht is ook niet om de hoek, dus zo vaak kom ik er niet meer. Er gaan zomers voorbij dat ik slechts twee keer vaar. En wel trouw om de maand een auto huren om te gaan hozen…

Motoren blijven eveneens een probleem. In 2008 tast ik iets dieper in de buidel en koop voor 450 euro een Yamaha 4pk uit 1999. Misschien is hij wel té mooi; het ding werd prompt gepikt. Er volgt een boedelscheiding (ik krijg Arie), waarna ik het onderhoud weleens oversla. Arie vervuilt, loszittende planken schroef ik niet meer vast, en ik hoos steeds minder en minder.


Maar toch, elk jaar ga ik wel een keer of drie met heel veel plezier varen. Ondanks de kosten, het gehoos en de motorellende plak ik er nog maar een jaartje aan vast. Niek Stolker

Naschrift: Daags na het inleveren van dit verhaal is Arie gezonken in een Utrechtse singel. Als de havenmeester de boot naar boven hijst, blijkt er een scheur van een meter in te zitten. Arie wordt total loss verklaard.

Ik wilde een boot omdat wijlen mijn vader een boot had, en mijn oom er ook een heeft.

Als Geels heb je een boot. Punt uit.

“Je kent het credo van botenbezitters: koop een boot en werk je dood?” waarschuwde oom. “Boten houden namelijk helemaal niet van water. Ze liggen het liefst het hele jaar lekker in een loods. En dan bij voorkeur een verwármde.”

Ik haalde grinnikend mijn schouders op. Altijd overdrijven, die oom.

Het werd, net als bij mijn vader en mijn oom, een zeiljachtje. Geen nieuwe. Te prijzig. Nee, eerst kocht ik een boot uit 1968, vervolgens een uit 1979.

Het voordeel van nieuwe boten is dat er nog niets stuk aan is. Het tegenovergestelde geldt, zo ondervond ik, voor boten op leeftijd. Om de haverklap vervoegde ik me derhalve bij de steeds jovialer grijnzende uitbaters van een scheepsartikelenwinkel te Aalsmeer, alwaar ik zelfs voor het meest onnozele piefje, palletje of potje tientallen euro’s diende te betalen. “Een flesje bootwas zegt u? Dat is dan vijftien euro, meneer.”

Ik wist voor 99 procent zeker dat het precies hetzelfde spul was als autowas à 3,95, maar ja: die ene procent twijfel hè?

Nieuwe verstaging, de kabels die de mast overeind houden? “Hebben we voor u meneer: vijfhonderd euro.”


Maar het is alleen maar staaldraad!

“Jawel meneer, maar er moeten ook wantspanners en toggles aan.”

Weekenden lang schuurde, lakte en poetste ik mijn sneeuwwitte statussymbool, een Splinter 22, maar volgens puriteinen als mijn oom deed ik het nog steeds hopeloos haastig en slordig.

Maar het zeilen was een feest.

Dat wil zeggen: meestal.

Op een gure dinsdagmiddag was ik al zeilend weggedroomd, omdat ik heel in de verte maar één ander vaartuig had ontwaard. Voor de bemanning van die stuitend lelijke gele plastic badkuip gold helaas hetzelfde.

Boem, was het toen opeens.

De schade was fors. Beide voorplechten lagen stevig in de kreukels. Zij – een ouder stel uit Amstelveen – waren met z’n tweeën en hadden dus twee paar ‘waakzame’ ogen, ik voer alleen. Zij waren verzekerd, ik niet. Maar wie kon er voor alle schade opdraaien?

Ik.

Mijn grootzeil had namelijk over stuurboord (rechts) gehangen, en het hunne over bakboord. Nou en? Welnu, in de wet staat dat als je zeil over stuurboord hangt, je voorrang moet verlenen. Logica zit daar niet achter.

De botsing kostte me in totaal 2600 euro. Waarom ik niet verzekerd was? Omdat ik als telg uit een vermaard schippersgeslacht duizend procent zeker wist dat ik zo’n stommiteit nimmer zou begaan.

Achteraf bezien had ik nog mazzel: als ik een van mijn tegenstanders (zo bezag ik vooral de vrouw, die me met rollende ogen van woede aankeek en totaal ongevoelig was voor het argument dat zij toch óók uit hun doppen hadden kunnen kijken) invalide had gevaren, had ik tot aan mijn dood schadevergoeding mogen betalen.


Nog dat jaar deed ik mijn ongeluksboot opgelucht van de hand. Om zes maanden later alweer een nieuwe aan te schaffen. Het was toch weer gaan kriebelen, en een Geels bezit nu eenmaal een boot nietwaar?

Het werd een Bucero 22, een type waarover – en dit had een waarschuwing moeten zijn – nauwelijks iets te vinden was op internet.

Hij zag er blits uit, maar bleek zo kwetsbaar als een doosje tissues. Het voordek lekte, en toen ik het grootzeil hees, scheurde het ding onmiddellijk doormidden. Kon ik vijf weken wachten op een nieuw exemplaar à zeshonderd euro.

Met mijn toenmalige vlam beleefde ik één zeer genoeglijke zomer op mijn Bucero. Maar de jaren erna had ik het veel te druk om te varen. Drie à vier keer per seizoen een middagje, vaker ging ik er niet op uit. Terwijl ik in totaal ruim duuizend euro per jaar aan liggeld spendeerde.

Toen ik afgelopen juni voor het eerst dit seizoen wilde gaan zeilen, bleek mijn dure buitenboordmotor gejat. Dieven hadden het ding, dat was geborgd met een zwaar, door alle verzekeraars goedgekeurd slot, ’s nachts vanaf het water van mijn boot weten te halen. Dit kennelijk zonder enig geluid te produceren, want in diverse schepen lagen mensen te slapen. Kortom: vakwerk.

“De politie heeft een vermoeden wie de dader is, maar ja, je moet in dit land natuurlijk wel bewijzen hebben,” bromde de havenmeester. Hij klonk alsof dat laatste hem bijzonder veel speet.

Ik interpreteerde de diefstal als een vingerwijzing Gods: jongen, dumpen die schuit!

Blij dat ik nu wél verzekerd was zette ik mijn Bucero onmiddellijk op internet. Ik vroeg 1100 euro voor mijn ‘prachtige Italiaanse zeiljachtje’, inclusief de ligplaats voor de rest van het seizoen à 655 euro. Dat bedrag was zo bespottelijk laag dat ik het ding binnen een paar dagen kwijt was. Voor mijn motor kreeg ik van de verzekering 900 euro terug. Allemaal pure winst, redeneerde ik – zo werkt dat gelukkig in de menselijke psyche.


Ik heb dus geen boot meer, en ik voel me bevrijd. Ik ga niet langer gebukt onder het besef dat 30 kilometer verderop een klont polyester voor veel geld ongebruikt ligt weg te rotten.

Gelukkig heb ik een broer en een oom die ook allebei een boot hebben en er óók niks mee doen. Ik mag vast weleens mee. Boudewijn Geels