‘Fado is het leven zelf’

Als erfgenamen van de grote Amália Rodrigues behoren Misia, Cristina Branco en Mariza inmiddels al geruime tijd tot de gevestigde orde van de fado. Nu is er een nieuwe rijzende ster in de Portugese blues: Raquel Tavares.

Raquel Tavares raakte op vijfjarige leeftijd in de ban van de fado en op twaalfjarige leeftijd won ze de prestigieuze Granda Noite do Fado (‘grote nacht van fado’). In 2006 sleepte ze vervolgens ook nog de Prémio Relevação Amália Rodrigues – de belangrijkste prijs voor jong fadotalent – in de wacht. Kinderen en fado: op het eerste gezicht een onwaarschijnlijke combinatie, maar de zangeres is het daar niet mee eens. In charmant gebrekkig Engels en meestal met hulp van haar meertalige tourmanager maakt ze haar punt: “Ik hield erg van de melodieën, die heel anders waren dan de liedjes die ik op de radio hoorde. Ik kon natuurlijk nog geen fado met diepe gevoelens zingen. Maar ik werd wel verliefd op de klank, en die klanken wilde ik zingen. Mijn ouders hebben dat verlangen meteen gesteund. Zij brachten me naar bars, fadoclubs en lieten me meedoen aan fado-jamsessies. Zij hebben zich van begin af aan heel erg positief opgesteld.”

“Mijn moeder heeft gezongen toen ze jong was, maar niet professioneel.”

“Nee. Fado is muziek die je als het ware ‘leeft’. Ik groeide op in de omgeving van fadozangers, zong met hen. Van de een leer je dit, van de ander dat. Zo werkt het. Zoiets als een fadoschool bestaat niet.”

“Er zijn er velen, maar een van hen is Beatriz de Conceição. Zij is al meer dan vijftig jaar een van de beste fadozangeressen. Het is een eer dat ik, ook tijdens mijn komende concert in Rotterdam, met haar mag optreden.”

“Natuurlijk. Zij is een van de grootste artiesten die Portugal heeft voortgebracht. Zij is het ijkpunt voor alle fadozangeressen. Ik bewonder vooral de manier waarop ze haar carrière heeft opgebouwd.”


“Veel mensen denken bij het woord fado aan verdriet. Mijn fado gaat over het leven als geheel, en niet alleen over de droefheid van het bestaan. Als ik zing, moeten de mensen – zelfs als ze de tekst van die liedjes niet begrijpen – kunnen voelen. Dát is fado. Daarom vind ik het helemaal niet ongemakkelijk om voor zalen te spelen waarvan ik weet dat ze het Portugees niet beheersen. Ik heb hier in Nederland voor mensen gezongen die huilden of glimlachten zonder dat ze precies wisten waarom.”

“Omdat het concept fado bij mij gelijkstaat aan het concept leven, zong ik vroeger zoals een kind het leven zag. Nu zing ik fado met de bagage die ik tot nu toe heb verzameld. Dat is het mooie: fado groeit met je mee, wordt steeds rijper en rijker.”

“Ik denk fado en ik voel fado. Alle beslissingen die ik neem, weeg ik af aan fado.”

“Soms wel. Maar in mijn hart weet ik dat ik juiste keuze heb gemaakt.”

“Zingen blijft natuurlijk nummer één, maar ik ga ook graag naar het strand, hou van lezen en ben dol op dansen. In 2008 heb ik zelfs meegedaan aan de Eurovision Dance Contest.”

“Ik heb er geen last van gehad. Behalve dan dat ik ineens herkend werd op straat.”

“Eerst ga ik op zoek naar de gedichten, omdat daar de gevoelens in staan die ik aan het publiek wil overbrengen. Die gedichten zijn vervolgens ook een leidraad voor de componist van de muziek.”

“Klopt. Maar ik probeer ze zó te zingen dat de inhoud, zij het op een abstracte manier, tóch voelbaar wordt.”

“Ik heb niets tegen op een vorm van fado die meer in de richting van de wereldmuziek gaat. De diverse muziekculturen hebben elkaar in de loop van de geschiedenis altijd beïnvloed. De ziel staat altijd open voor invloeden van buitenaf. Zelf ben ik daar echter nog niet mee bezig. Misschien in de toekomst…”


“Nee. De teksten laat ik aan de dichters over; die kunnen dat beter dan ik. Maar ik ga dat zeker wel doen. Ik schrijf al veel, maar vindt mezelf nog niet goed genoeg. En wat de muziek betreft: als kind kon ik een paar liedjes op de Portugese gitaar spelen, maar dat had niet het niveau van de mensen met wie ik nu speel. Dus daar ga ik me niet aan wagen.”

“Omdat veel fado’s havenliedjes zijn. Porto was ooit een grote havenstad. Rotterdam was en is dat nog steeds. Zo brengt de fado die twee steden bijeen. Zeelui op de grote vaart, die vaak maanden van huis zijn, missen hun vaderland vaak enorm. En de thuisblijvers op het vasteland missen degenen die op zee zijn. De afwezigheid van iets of iemand, dat is het gevoel van saudade dat in de fado zo prominent aanwezig is. Dat element, ook al heet dat in jullie taal waarschijnlijk anders, moet Rotterdam vroeger ook hebben gekend. En dat geeft mij toch een gevoel van verbondenheid met die stad.”

‘Canção do Mar’. 17 september tijdens het Gergiev Festival in De Doelen te Rotterdam.

Ruud Meijer