De stank van vroeger

Elke week één artikel in zijn geheel op de website. Deze week de column van Beatrijs Ritsema. “Opmerkelijk hoe de opvatting over de geur van rookwaren is veranderd.”

De kracht van de veelgeprezen tv-serie Mad Men zit voor een groot deel in de glamourisering van een tijdperk: de jaren zestig vlak voor de maatschappij onder invloed van de jeugdrevolte begon te verslonzen. Ten tijde van Mad Men bevindt de enkele aanstormende hippie zich in marginale, armlastige kunstenaarskringen; op kantoor en trouwens ook in de huiselijke kring ziet iedereen er perfect gestileerd en gesoigneerd uit, alsof men permanent op een cocktailparty verkeert. De indruk van party time wordt extra versterkt door de alomtegenwoordigheid van drank en tabak. Voor de televisiekijkers in 2011 is vooral het vanzelfsprekende roken in wat voor omstandigheden dan ook shockerend. Bij vergaderingen, in de lift, in restaurants, in bed, in de auto, in aanwezigheid van kinderen – hoe durfden ze!

Hoe waarheidsgetrouw alles in de serie er ook uitziet, van de kleding tot en met het typerende jaren-zestig-kantoormeubilair, dat er toch sprake is van een gelikte voorstelling van zaken kun je afleiden uit wat er níet in beeld wordt gebracht: nergens lege flessen of vuile glazen, en vooral geen volle asbakken. Met het tempo waarmee de heren en dames sigaretten opsteken zou je overal volle asbakken verwachten, want je ziet Don Draper er niet voor aan dat hij na weer een moeizame bespreking op zijn kamer zelf naar het kantoorkeukentje loopt om de peuken weg te gooien. En een shot van het omkeren van een asbak in de prullenmand naast het bureau komt ook niet voor.

Ze roken en drinken als ketters, maar de fysieke sporen hiervan blijven de kijker bespaard, waardoor het beeld toch weer hygiënischer is dan de werkelijkheid geweest moet zijn. En de geur van rook moet de kijker er ook bij verzinnen, al spreekt men tegenwoordig natuurlijk van de ‘stank’ van rook. Het is opmerkelijk hoe ingrijpend de gevestigde opvatting over de geur van rookwaren is veranderd. Binnen dertig jaar sloeg die om van een neutrale, min of meer vanzelfsprekende olfactorische begeleiding van het dagelijkse leven naar een walging opwekkende stankbron. Ik heb het nu niet over de ongezondheid van het roken zelf (die staat buiten kijf), maar zuiver over de reuksensatie. De geur van rookwaar (sigaret, sigaar of pijp) wekt dezelfde publieke reactie als de geur van bedorven eten of een ondergepiste wc. Ook rokers geven nederig toe dat roken stinkt en dat de
stank in de kleren, de gordijnen, ja zelfs in de huid gaat zitten.

Geur is een subjectieve sensatie. Hoewel de voor- en afkeuren in geuren grotendeels aangeboren zijn (de afkeer van de geur van lijken, poep en rotting is algemeen menselijk, evenals een aangename sensatie bij de geur van vers brood of aardbeien), bestaan er toch individuele verschillen. Zo slaag ik er maar niet in om de geur van rook werkelijk smerig te vinden. Als kind al vond ik de geur van sigarettenrook die volwassenen uitbliezen lekker en prikkelend. Zelfs de uitgesproken geur van een ruimte die  ’s ochtends na een feest doordrenkt was van rook en verschaald bier heeft me nooit tegengestaan. Die specifieke day after-geur, vroeger standaard aanwezig in kleine cafés, valt nergens meer op te snuiven, maar soms heb ik er nog heimwee naar.

Terwijl iedereen geniet van frisse, rookvrije ruimtes, waar je vrijuit kunt ademhalen zonder dat die smerige rook in je kleren gaat zitten, heb ik andere problemen met stank. Sinds het rookverbod ruik ik de medemens, en dat valt niet mee. Vooral op feestjes, borrels en recepties heerst olfactorische opdringerigheid. Ik sta met iemand te praten en word overvallen door een gemene zweetlucht die mijn gesprekspartner uitwasemt.
Ik ruik slechte adem, ongewassen truien, de zurige ademtocht van witte wijn, goedkope aftershave en te zware parfums. Geuren die me vroeger nooit opvielen, omdat de rook bij dat soort gelegenheden als een massieve
deken fungeerde die alle verdere onwelriekendheden verzwolg. We mogen ons gezonder gedragen, de stank is er niet minder op geworden.

beatrijs ritsema