Bijenkoningin

Ooit sloeg ik een vrouw zo hard dat de tanden uit haar onderkaak vlogen. Als ik terugdenk aan haar gekrijs en de aanblik van de bebloede witte stompjes, voel ik weer hoe angst en schaamte mijn ingewanden vastsnoeren.

Zij was zes, ik acht. Tijdens een geïmproviseerd spelletje golf had ik zo hard en onvoorzichtig uitgehaald dat de bezem mijn zus hard op de mond trof. Precies op de tanden die ze net gewisseld had. Tandheelkunde en tijd hebben ons weer naadloos verenigd.

Sindsdien is mijn leven van handgemenen verschoond gebleven – wat duw- en trekwerk als portier voor een studentenvereniging daargelaten. In het onwaarschijnlijke geval dat het toch vechten wordt, zal dat met een man zijn. Want een vrouw slaan… Precies. De lichamelijke liefde daargelaten, is het een van de weinige gebieden waar ik nog onderscheid maak tussen de geslachten.

Daarom is het des te intrigerender als ik buiten de slaapkamer en de weg daar naartoe anders door vrouwen behandeld wordt dan door mannen. Toevallig gebeurt dat ook tijdens een confrontatie, maar dan een zonder het gevaar op bloeduitstortingen: het interview.

Ik voer al jaren vraaggesprekken met wetenschappers. Waar bij de meeste mannen het gesprek meestal vlot verloopt, gaat het er bij vrouwen vaker stuurs en zelfs competitief aan toe. “Dat u dat niet weet, meneer Blondeau.” “Wel, goed, ik heb niet mijn hele volwassen leven gewijd aan hechtingsstoornissen bij autistische kinderen.” Hopeloos.

Vrouwelijke collega’s (niet in de laatste plaats de mevrouw hier naast me) hoor ik weleens hun beklag doen over hoe mannen met status hen behandelen als personeel. Goed, dat is seksisme van de oude snit. Maar wat doet de flow stremmen in mijn geval?

Misschien ligt de verklaring wel in het zogeheten bijenkoninginnencomplex. Op zoek naar een verklaring voor de oververtegenwoordiging van mannelijke wetenschappers stootten twee psychologes op het opmerkelijke feit dat hooggeplaatste vrouwelijke wetenschappers negatieve vooroordelen koesteren tegenover hun aanstormende seksegenoten. Zij denken eerder dan leidinggevende mannen dat vrouwen niet zo toegewijd zijn aan hun carrière. Om mee te draaien in een wereld waarin ze een minderheid zijn, hebben ze al dan niet ingebeelde kenmerken van de meerderheid overgenomen en die zelfs verhevigd. Ik interview dus geen vrouw maar een macho; niet mijn favoriete mensensoort.


Of ik verdien een klap tegen mijn smoel omdat diep onder mijn panklare gelijkwaardigheidsmoraal een gefrustreerde dar leeft die het niet verkroppen kan dat vrouwen machtige posities verwerven, en dat na de paring mij alleen nog maar de zekerheid van de dood wacht.

Maar goed, dat moet een wetenschapper maar uitzoeken.

Thomas Blondeau