Goud in Londen

Henk Grol moet ons een serieuze, mannelijke plak schenken.

Op internet zocht ik naar nieuws over Henk Grol. Dat deed ik natuurlijk niet zomaar. Henk Grol is judoka, en judoka’s zijn in Nederland geen popsterren. Hun faam strekt zich voornamelijk uit over de benauwde sportzalen overal ter wereld, waarin ze gedurende het jaar hun toernooien afwerken.

Ik ken die sportzalen een beetje, omdat ik zelf ooit een klein judokaatje was, en geloof me: daar ga je alleen naartoe met een goede reden. Geen uitzinnige mensenmenigtes dus voor Henk Grol.

Maar dat verandert allemaal in de aanloop naar de Olympische Spelen. Die zijn nog minder dan een jaar van ons verwijderd en staan dus in feite al zo goed als voor de deur. Het boeiende aan zo’n pre-olympisch jaar is dat sporten waar maar weinigen in Nederland belang in stellen – judo, roeien, kleiduiven uit de lucht knallen, dat soort dingen – opeens een zeker maatschappelijk belang vertegenwoordigen. In kranten en tijdschriften verschijnen plotseling paginagrote interviews en achtergrondreportages over sporten en sporters die ons normaal gesproken koud laten.

Het komt allemaal voort uit de pragmatische olympische gedachte dat elke medaille evenveel waard zou zijn. Brazilië en de Verenigde Staten kunnen het voetbal of basketbal domineren wat ze willen, straks in Londen, maar als wij daar drie muzikale merries in de dressuur tegenover zetten, zijn dat net zo goed volle punten in de medaillespiegel.

Daarom was ik dus op zoek naar nieuws over Henk Grol. Henk Grol behoort namelijk tot de categorie ‘een zekere plak in 2012’. En wij Oranjejudofans (elke vier jaar vermenigvuldigt ons aantal zich tijdelijk op wonderbaarlijke wijze) rekenen op Henk.


Henk is de man die straks voor volk en vaderland een stel Roemenen, Armeniërs en Japanners door een benauwde Londense zaal moet werpen. Henk moet ons een serieuze, mannelijke plak schenken, naast alle toch enigszins schaamtevolle triomfen in dat feminiene gepaardrij en gehockey.

De wereldkampioenschappen in Parijs volgde ik niet heel nauwgezet, maar de verrichtingen van Henk Grol wilde ik niet missen. Ik had ze beter wel gemist.

Als grote favoriet voor het goud begon hij zijn toernooi tegen een vierkante Mongoliër. Henk won omdat de Mongoliër een straf kreeg voor verdedigend spel. Het was een treurige partij, een loopgravenoorlog tussen een witte en een blauwe kolos. Henk moest nog een beetje warmdraaien.

Henks tweede wedstrijd was tegen een Georgiër; goeie judoka’s komen overal vandaan. De Georgiër won, omdat Grol zich helemaal aan het einde van de wedstrijd zonder aanwijsbare reden als een mud aardappelen op de mat liet vallen. ‘Zonder techniek naar de grond’ heet dat. Dat klinkt even onbeholpen als het eruitziet. En dat mag dus niet, bij judo.

Na de wedstrijd kwam Henk voor de camera’s van de NOS, die met een hele ploeg naar Parijs was afgereisd om onze medailleklant alvast wat ippons te zien oefenen. “Ik moet gewoon door. Dit is topsport. Ik had nog nooit zo’n goede voorbereiding gehad, maar zo zie je: dat zegt helemaal geen reet.” Later voegde hij er voor de schrijvende pers nog aan toe dat het ‘klote’ en ‘bagger’ was. En zijn trainer zei: “Slecht. Kan er niets anders van maken: heel slecht.”

Dat was een domper. Als een van onze zekere medaillekandidaten zich liet afbluffen door de eerste de beste Kaukasische geitenhoeder, hoe moest dat dan volgend jaar in Londen? Ik werd overvallen door een existentiële twijfel: was Ranomi Kromowidjojo wel echt zo goed? Zat Anky nog wel lekker in d’r vel? Waar was de Holland Acht eigenlijk mee bezig?


’s Avonds zag ik bij Studio Sport hoe de hockeyvrouwen naar de Europese titel huppelden. Aanvoerster Maartje Paumen werd geïnterviewd door een andere NOS-cameraploeg. “Nu genieten en dan goud in Londen?” vroeg de verslaggever. “Gaat goedkomen,” zei Paumen. En dat stelde me weer een beetje gerust.