Iedereen kan fluisteren

Groot is het succes van hondenfluisteraar Cesar Millan en babyfluisteraar Derek Ogilvie.

Niet zo vreemd dat het anderen inspireerde om het ook maar eens op de fluistertoer te proberen. En waarom ook niet? Fluisteraar is geen beschermd beroep. Je hoeft er ook geen ingewikkelde opleidingen voor te volgen en ‘fluisteraar’ klinkt bovendien interessanter dan gedragstherapeut of coach.

En dus zijn ook in Nederland zelfbenoemde hondenfluisteraars opgestaan, zoals Klaas Wijnberg en Liesbeth van der Burght.

Ook Janine van der Wel noemt zich dierenfluisteraar. “Een gesprek met een dier,” schrijft ze op haar website, “kan namelijk goed inzicht geven in de oorzaak van bepaald gedrag, onverklaarbare symptomen of ziekte. (-) Als uw dier vermist is, kan ik als dierentolk contact leggen om proberen erachter te komen waar het dier zich bevindt.”

Juist ja. Dierenfluisteraars zijn er te over, inmiddels. In ons land kennen we bijvoorbeeld meerdere ganzenfluisteraars. Monica van den Brink is ‘fluisteraar voor gehandicapten, baby’s en kinderen’. Ze schrijft: “Ik verplaats me in het hoofd van de persoon en kan zo voelen, zien en horen wat de persoon beleeft en hoe de persoon daarop reageert. (-) Hierdoor wordt de gehandicapte veel rustiger en krijgt meer vertrouwen.” Van den Brink fluistert ook op afstand, op basis van uitsluitend een foto (à veertig euro).

Fluisteren, dat moge duidelijk zijn, is vooral en vogue in de spirituele wereld. Ook dat is vooral een kwestie van semantiek: je gaat nu eenmaal sneller naar een fluisteraar dan naar een paragnost. Jozien Dekker, natuurgeneeskundig therapeut, noemt zich fluisteraar omdat ze ‘als tussenpersoon van de aardse en spirituele wereld de trilling, de energie van de spirituele wereld’ ontvangt. En zo kan ze in contact komen met overledenen. Maar ook met levenden, ‘zoals baby’s, (kleine) kinderen, geestelijk gehandicapten, mensen in coma, dementerende mensen en huisdieren’.


Ja, je maakt wat mee als fluisteraar. Cobi de Gooyer uit Lewedorp op haar website: “Ik ging een keer een gesprek aan met een paard. Ik vroeg hem wat hem mankeerde, want hij gedroeg zich zo wild. Ja, kreeg ik als antwoord, ik ben een hond. (-) Ik heb hem verschillende keren uitgelegd dat hij een paard was. (-) Wat bleek? Die mensen hadden een hond gehad die zo heette. (-) Hij wilde zo graag terugkomen omdat hij het zo naar zijn zin had gehad, maar dan als paard, omdat de baasjes daar ook zo gek mee zijn. Nu gedraagt hij zich wel als paard.”