Over the top in 3D

Het bloed spat van het doek als Conan the Barbarian zijn vijanden verplettert. Met de nieuwe film van Marcus Nispel heeft Hollywood een extra dimensie aan de pulpklassieker toegevoegd.

Stel, na een barre tocht door de woestijn is uw kameel door uitputting bezweken. Sindsdien heeft u dagenlang zonder water voortgesjokt, tot u opeens voor de ongenaakbare muren van Xuthal bent komen te staan. Durft u het aan deze verboden stad te betreden? Natala, de vrouwelijke hoofdpersoon van The Slithering Shadow, waagt het erop. Ze heeft vuurrode lippen, gitzwart haar, woest vonkende ogen en een goddelijk lichaam. Natala treft niet alleen water in Xuthal, maar ook een kwaadaardige vrouw. En dus bungelt ze niet veel later naakt aan een ijzeren ketting terwijl haar rug met een zweep wordt bewerkt. De situatie wordt er niet beter op als een vormloos gedrocht met het gezicht van een pad zijn opwachting maakt en het ‘bloed in haar aderen doet bevriezen’. Het monster strekt zich uit met de bedoeling Natala van de ketting los te rukken.

Is er nog redding mogelijk? Jazeker. Een enorme krijger met donkere manen stort zich met een dierlijke kreet op het monster, waarna een afgrijselijk gevecht volgt. Conan de Barbaar meldt zich! De lezer zat eerlijk gezegd al een tijdje op hem te wachten, want Natala werd eerder door ‘de noorderling’ vergezeld. Ze waren elkaar in de krochten van Xuthal kwijtgeraakt. Barbaar of niet, het is niet Conans gewoonte om weerloze vrouwen aan hun lot over te laten. Wel krijgt hij er stevig van langs: ‘slagtanden en klauwen doorklieven zijn huid, vlezige tentakels – hard als ijzer – klemmen zich om zijn benen en een zweep van schorpioenen geselt onophoudelijk zijn borst en rug, waar het vlees wordt weggescheurd en zijn aderen zich vullen met een gif als vloeibaar vuur’.


Natala is niet gerust op de goede afloop en wacht sidderend af wie als overwinnaar uit de duisternis tevoorschijn zal stappen. Voor de lezer is er niet de geringste twijfel over de uitkomst van het gevecht. Conan zal dit klusje klaren om, na hersteld te zijn van zijn verwondingen, nieuwe gevaren tegemoet te snellen. Een onstilbare honger naar bloed, goud, avontuur, macht, plundering, wijn en vrouwen drijft hem voort. Stilzitten is, zeg maar, niet zijn ding.

We kennen Conan uit de novellen van Robert E. Howard. Of anders wel uit de vele verhalen die na diens vroegtijdige dood – de auteur pleegde op dertigjarige leeftijd zelfmoord – door collega’s werden voltooid op basis van een omvangrijke papierwinkel aan schetsen en aanzetten. We kennen Conan als de onverschrokken held uit stripverhalen. En we herinneren hem ons van twee films (uit respectievelijk 1981 en 1984) met Arnold Schwarzenegger in de hoofrol.

Dit jaar wordt de Conan-franchise nieuw leven ingeblazen met verse filmavonturen. De receptuur wijkt niet noemenswaardig af van de film uit 1981, maar de techniek is voortgeschreden en dus kunnen we het bloed nu in 3D van het doek zien spatten. De toeschouwer zal ook weleens de aandrang voelen weg te duiken als zwaarden of speren de bioscoopzaal in komen zwiepen.

Er is geen moeite gedaan de bodybuilderstorso van Schwarzenegger in omvang te overtreffen. Wel zo verstandig, want diens opgepompte fysiek stemde nauwelijks overeen met de oorspronkelijke beschrijvingen. Conan was immers niet alleen zeer gespierd, maar vooral ook snel en behendig. De producenten hadden geen trek in een ster, en dus werd de hoofdrol ditmaal toebedeeld aan Jason Momoa, een acteur van Hawaïaans-Ierse komaf wiens grootste claim to fame tot dusverre een rolletje in de tv-serie Baywatch was. Momoa oogt als een ongewassen Chippendale en voldoet keurig aan de atletische eisen die de rol stelt. Maar hij steekt een beetje flets af bij de schurken met wie hij de strijd moet aanbinden. En in de spannendste scène van de film heeft Momoa niet eens een aandeel. Die betreft de twaalfjarige Conan die aan een hardloopwedstrijd meedoet. Het traject voert door een donker bos en de deelnemers krijgen voor aanvang een ei in de mond gestopt dat intact moet blijven. Als in het bos moorddadige krijgers opduiken, maken bijna alle jongemannen rechtsomkeert. Zoniet Conan, die als enige zijn ei onbeschadigd naar de finish brengt en daar – als bonus – ook nog vier afgehakte hoofden bij levert.


Conan the Barbarian (Ook: the Cimmerian, the Adventurer, the Destroyer et cetera) is zoals gezegd het geesteskind van Robert E. Howard (1906-1936), een Texaanse schrijver die in zijn korte leven een onwaarschijnlijke hoeveelheid pulp fiction heeft geproduceerd. Dergelijke verstrooiende lectuur werd op grote schaal aan de man gebracht in een tijdperk waarin het medium televisie nog in de kinderschoenen stond. Het betrof goedkope romannetjes, verhalenbundels of tijdschriften vol kleurrijke karakters, exotische locaties, veel actie en – als kers op de taart – een zweempje erotiek. Howard was een van de broodschrijvers die uitgevers op hun wenken bedienden en in moordend tempo verhalen schreven over ridders, cowboys, rovers, agenten, geestverschijningen, sporthelden, piraten en detectives.

Zijn meest succesvolle creatie was evenwel Conan, die in 1932 voor het eerst aan het publiek werd gepresenteerd in het tijdschrift Weird Tales. In volgende verhalen werd de Cimmeriaanse krijger gaandeweg ingekapseld in een grimmig en mythisch universum.

Howard herinnerde zich dat de verhalen zo snel kwamen ‘dat ik het zelf nauwelijks kon bijhouden. Het was alsof Conan achter me stond en steeds maar aanwijzingen bleef geven’.

Conan leeft in het ‘Hyperboriaanse tijdperk’, dat aan de ons bekende beschavingen vooraf is gegaan. Howard situeert de verhalen na de ondergang van Atlantis, maar vóór de geschreven geschiedenis: zo’n 12.000 jaar geleden. Het decor is de aarde, maar dan in een vorm die weinig herkenning oproept. Op de landkaart die trouw in elke Conan-bundel is opgenomen, treffen we koninkrijken als Nemedië, Asgard, Hyperborië, Shem en Stygië. In het zuiden bevinden zich de ‘Zwarte Koninkrijken’ en in het oosten de Zee van Vilayet. Sommige namen roepen een vage herkenning op. Zo bevindt zich diep in Afrika het land Zembabwei en heeft Howard ook de rivier Styx een plaatsje in zijn wereld toebedeeld.


De Hyperboriaanse koninkrijken brengen voortdurend legers op de been waarmee ze elkaar in wisselende allianties afslachten. Conan verricht als ambachtelijk krijgsman hand- en spandiensten aan uiteenlopende vorsten. Maar als freelancer sluit hij zich net zo makkelijk aan bij vrijbuiters, plunderaars of piraten. Hij strijdt bij voorkeur met zwaard en mes, waarbij een bonte hoeveelheid varianten ten tonele wordt gevoerd. Een greep uit de door Howard gebruikte termen: broadsword, scimitar, double-edged sword, longsword, tulwar, dirk, poniard, long knife, saber… Die variaties zijn min of meer noodzakelijk omdat er zelden een pagina zonder wapengekletter voorbijgaat en het proza niet al te veel herhalingen mag bevatten. Dat is Howard overigens niet altijd gelukt. Bij het beschrijven van de motoriek van Conan refereert hij steevast aan roofdieren. De manier van bewegen varieert hooguit tussen ‘tijgerachtig’ en ‘panterachtig’.

Ook voor de omschrijving van de vrouwen die Conans pad kruisen wordt onveranderlijk geput uit dezelfde beperkte woordenschat. Als ze niet ‘supple’ zijn, dan zijn ze wel ‘lithe’. Beide woorden betekenen zoiets als ‘soepel’ of ‘lenig’.

Al die soepele vrouwen voelen zich onweerstaanbaar tot Conan aangetrokken. Ook als ze in eerste instantie tegen hun wil door hem zijn meegenomen. Het duurt nooit lang voor Conan ‘de primitieve snaar die in elke vrouw verborgen ligt’ weet te raken en ze zich zuchtend aan hem overgeven. De meegaandheid van de vrouwelijke personages heeft ertoe geleid dat Howard als seksist werd bestempeld. En daar kwamen ook nog eens beschuldiginen van racisme bij, aangezien opponenten met een donkere huidskleur nogal eens worden weergegeven als primitieve wreedaards. Daar valt tegen in te brengen dat het universum van Conan zo vol is van dieven, duivels, schurken en moordenaars van uiteenlopende etnische komaf, dat het welhaast van discriminatie zou getuigen als hij zwarte volkeren buiten beschouwing had gelaten.


Dat de prinsessen doorgaans lelieblank zijn, toont vooral aan hoezeer Howard zich heeft laten inspireren door traditionele sprookjes en sagen. Hoewel de lezer steeds krijgt ingeprent dat Conan een ‘barbaar’ is die door primitieve en dierlijke instincten wordt gedreven, valt dat bij nadere beschouwing eigenlijk wel mee. Toegegeven: hij voelt de aandrang ieder die hem in de weg staat de schedel in te slaan (‘als een rijpe meloen’), maar hij weet die neiging meestal te onderdrukken en respecteert een ingewikkelde erecode. Die dwingt hem zelfs regelmatig zich in avonturen te storten waar hij eigenlijk geen trek in heeft. Loyaliteit staat hoog in het vaandel. En van mateloze promiscuïteit is evenmin sprake. Conan gaat niet in op avances van vrouwen als hij al een concubine heeft en spreekt met onverholen walging over types die louter in ‘sensuele genoegens’ geïnteresseerd zijn. In weerwil van zijn primitieve voorkomen en moorddadige broodwinning heeft Conan veel overeenkomsten met de helden van middeleeuwse ridderromans.

Dat ridderlijke aspect wordt in de films enigszins afgezwakt. John Milius, regisseur en scenarist van de Conan-film uit 1981, modelleerde hem deels op Dzjenghis Khan. Bijvoorbeeld in de scène waarin een Mongoolse veldheer vraagt wat het allermooiste in het leven is. Antwoord van Conan: “Het verpletteren van je vijanden en ze voor je uit te drijven terwijl je luistert naar het geweeklaag van hun vrouwen.”

Een pittige uitspraak. De makers van de nieuwe film wilden daar niet voor onderdoen en komen ook met een bloeddorstig devies: “Als je dorst voelt, is het de dorst naar bloed. Als je kou voelt, is het de kou van vlijmscherp staal.” De woorden ‘over the top’ dringen zich op.


Dat was ook de term die een journaliste van The Guardian onlangs gebruikte. Ze prees de Conan-verhalen als ‘pure, atmospheric, over-the-top evil joy’. Het leverde verontwaardigde reacties op van bewonderaars die vonden dat ze de ‘diepte’ van Howards schepping onderschatte. Dat lijkt wat veel eer voor proza waarin voortdurend dezelfde superlatieven worden herhaald.

Interessant is wel dat verschillende Amerikaanse ‘pulp’-schrijvers inmiddels een plaatsje in de literaire canon hebben gekregen. Zoals Howards collega H.P. Lovecraft. De invloedrijke criticus Edmund Wilson verwees diens griezelverhalen ooit honend naar de vuinisbak met de constatering dat de enige ‘horror’ die hij erin had kunnen ontdekken ‘slechte smaak en slechte kunst’ waren. De Library of America heeft Lovecraft inmiddels omarmd en een bloemlezing van zijn werk uitgebracht. Of Edmund Wilson die eer nog eens ten deel zal vallen, is nog maar de vraag.

En Conan? Zal deze pulpicoon nog eens tot de literaire canon worden toegelaten? Hoogst onwaarschijnlijk. Howard kon prachtige zinnen maken (‘a laugh like the sudden, bronze note of a bell in hell’), maar zijn proza is te overdadig, te stereotiep.

Dat neemt niet weg dat er een aanzienlijke hoeveelheid essays en wetenschappelijke publicaties aan Conan is gewijd. Die stapel zal gestaag blijven groeien. Ook blijkt er nog altijd rek te zitten in de filmcarrière van de barbaar. Driekwart eeuw nadat Robert E. Howard zich een kogel door het hoofd joeg, geniet zijn voornaamste schepping nog altijd de aandacht van de academische wereld én de amusementsindustrie. Een prestatie op zich.


‘Conan the Barbarian 3D’. Regie: Marcus Nispel. Vanaf 8 september in de bioscoop.

Erik Spaans