De eerste liberaal van Europa

De zestiende-eeuwse filosoof Michel de Montaigne schreef met evenveel gemak over drollen en scheten als over erotiek en godsdienst. Biograaf Saul Frampton beschrijft hem als iemand die je graag zou willen ontmoeten.

Volgens Orson Welles was Michel Eyquem de Montaigne, die leefde van 1533 tot 1592, ‘de grootste schrijver aller tijden’. Literatuur is misschien geen competitie zoals voetbal of wielrennen, en een schrijver uitroepen tot de allergrootste is nogal obligaat, maar het is bijna onmogelijk om niet diep onder de indruk te raken van leven en werken van Montaigne. Hoe is het mogelijk dat een schrijver uit de zestiende eeuw zo tot het hart spreekt? Hoe is het mogelijk dat proza, opgeschreven in een tijd er nog werd gevierendeeld en heksen werden verbrand, zo tijdloos is dat het lijkt alsof je de auteur morgen gewoon op straat kunt tegenkomen?

Ik zie twee redenen, door anderen vast wel eens eerder opgemerkt, maar zinvol genoeg om hier nog eens te herhalen. De eerste reden is dat Montaigne als eerste ertoe overging om over zichzelf te schrijven. In de antieke oudheid was dat ook al met overgave gedaan, maar die gewoonte was in de christelijke Middeleeuwen in onbruik geraakt. Montaigne herontdekte het ‘ik’ en is daarom ook wel ‘de uitvinder van de psychologie’ genoemd.

In zijn behoefte om zichzelf uit te leggen, ging hij meteen heel ver. Zijn eigen leven, maar vooral ook zijn eigen lichaam, was zijn onderzoeks-terrein. Dat maakt hem zo modern en in één bepaald opzicht is Wim T. Schippers een verre nazaat. Zo is er geen schrijver die zoveel studie heeft gemaakt van drollen en scheten als Montaigne. Driekwart van het in 1581 geschreven Reis naar Italië gaat over de wind in al zijn verschijningsvormen.

Ware filosofie lijkt voor hem te beginnen bij een adequate beschrijving van de eigen stofwisseling. Met instemming vertelt Montaigne in zijn essay Over de ijdelheid dat hij een heer heeft ontmoet die een dagboek bijhield aan de hand van zijn ontlasting. Bij de man thuis stonden zeven potten met de opbrengst van een week op een rij. Daarover sprak hij met vuur, en elk ander gespreksonderwerp vond hij stinken. “Wat u hier in een wat geciviliseerdere vorm krijgt voorgeschoteld,” schrijft Montaigne vervolgens over zijn eigen bespiegelingen, “zijn de uitwerpselen van een oude geest. Nu eens te hard, dan weer te flodderig, maar zelden goed gebakken.” (Vertaling Hans van Pinxteren.)


In dat licht bezien is het niet zo vreemd dat Montaigne zijn Essais ook weleens ‘mijn haché’ heeft genoemd. De kracht van Montaignes proza is dat hij een banaal onderwerp van de ene zin op de andere kan afwisselen met een grote diepzinnigheid. Ook dat maakt hem modern, en als je het wilt zien, zie je een grote overeenkomst met de ironie van Gerard Reve.

Maar er is nog een tweede reden waarom Montaigne zo leesbaar is gebleven. Hij gebruikt allerlei stilistische trucjes die later door velen zijn gekopieerd, maar die bij de meester zelf het meest blijven schitteren. Zo begint hij in zijn Essais op te merken dat hij iets volkomen nieuws deed. Dat maakt de lezer nieuwsgierig. “Geen mens,” schreef hij in zijn Essais, “heeft ooit een onderwerp behandeld dat hij beter kende of begreep dan ik het mijne.”

Wat Montaigne betreft was Montaigne zelf de grootste geleerde ter wereld, maar hij begreep ook wel dat hij met deze zelfvergenoegde houding de kans liep zijn publiek weg te jagen. Om die reactie voor te zijn, paste hij een stilistisch trucje toe. “Lezer,” schrijft hij in zijn voorwoord, “ik vorm zelf de stof van mijn boek, maar het is onjuist om uw tijd te verspillen met z’n frivool en ijdel onderwerp. Vaarwel dus.”

En daarmee had hij zijn lezers juist beet, want een boek dat zo begint, zeg je niet vaarwel. Zo’n boek lees je door en je legt het niet meer weg tot je het uit hebt.

Renaissancedeskundige Saul Frampton heeft met Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? een handzame biografie van Montaigne geschreven. De titel is niet voor niets gekozen, want Montaigne had een grote belangstelling en een grote liefde voor dieren. Dat was tamelijk ongebruikelijk in die tijd. Descartes (1596-1650), die vlak na Montaignes dood werd geboren, beschreef dieren als zielloze automaten die je rustig een schop kon geven, omdat ze toch geen pijn konden voelen. Ook in dat opzicht was Montaigne liberaal en zijn tijd ver vooruit.


Montaigne schreef over zichzelf, maar hij schreef over zichzelf op een nietsverhullende manier. Het liefst wilde hij zich naakt tonen aan zijn lezers. Naakt, letterlijk zonder kleren. Maar ook naakt als een man met fouten. Juist door het analyseren zijn eigen van tekortkomingen was hij in staat anderen beter te begrijpen. Dat was een uniek standpunt voor een man die afkomstig was uit de aristocratie en die zelf enige tijd de functie van rechter en van burgemeester heeft vervuld.

Bij Montaigne begint het debat over de vraag wat tolerantie eigenlijk betekent. Hij had er zelf aan meegedaan, maar bij het klimmen der jaren begon hij een steeds grotere afkeer van conflicten en oorlog te krijgen. Hij was zelf katholiek – en vermoedelijk een klein beetje joods – maar had achting voor andere godsdiensten. In het conflict tussen de katholieken en de hugenoten probeerde hij te bemiddelen, wat hem van beide kanten niet altijd in dank is afgenomen.

In 1580 publiceerde hij het eerste deel van Essais, verhandelingen over de droefheid, de vriendschap, de opvoeding, het krijgsbedrijf en over de kunst van het sterven. Het klimmen der jaren was bij Montaigne overigens al vroeg begonnen, en reeds rond zijn 39ste dacht hij dat het leven erop zat. De rest was een voorbereiding op de dood. Toen hij merkte dat het nog helemaal niet afgelopen was, kwam hij steeds meer terug van die opvatting en begon hij het leven meer te waarderen.

Veel reizen helpt bij de ontwikkeling van een liberaal wereldbeeld. In datzelfde jaar 1580 gaat hij per koets naar Italië, Zwitserland en Duitsland. Overal laat hij zich informeren over de plaatselijke zeden en gewoonten, en ondertussen probeert hij zijn nierstenen kwijt te raken in geneeskrachtige baden. Met zijn onderzoekende geest komt hij er al snel achter dat water niet helpt.


Saul Frampton schrijft over hem als iemand die je graag zou willen ontmoeten, aan wiens voeten je wilt zitten bij de open haard. ‘Niet ergeren, maar verwonderen’ zou het motto van Montaigne kunnen zijn. Als Seigneur Montaigne op zijn 59ste alsnog sterft, lijkt het erop dat hij inmiddels een echte levensgenieter is geworden. Frampton wijst erop dat het woord ‘essais’ niet alleen ‘verhandelingen’ en ‘probeersels’ betekent, maar ook ‘smaken’ en ‘proeverijen’. Zodoende is de eerste liberaal van Europa, de voorloper van de Verlichting, onlosmakelijk verbonden met eten en wijn.

En ook met wat daar ten slotte aan het einde van de endeldarm van overblijft. Als zo’n schrijver u niet bevalt, zeg ik u vaarwel.

Saul Frampton: Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? Montaigne en de kunst van het leven. Vertaling: Jan Sietsma. Ambo, €22,50. Ook via ako.nl.