Tiran en weldoener

Nu Kadhafi is verdreven, kan het onomwonden worden uitgesproken: de Libische dictator was een tirannieke gek. Een gevaarlijk dier dat zijn vermeende tegenstanders liet opsluiten en tijdens de revolutie zijn eigen bevolking uitmoordde om zijn eigen positie veilig te stellen. Goed dat hij weg is, dat zeker. Maar het zou onterecht zijn om Kadhafi de geschiedenisboeken in te laten gaan als ‘die gestoorde leider die zijn volk niets te bieden had.’ Dat had hij namelijk wel; anders dan veel andere despoten verrijkte Kadhafi met de aanzienlijke olierijkdom niet alleen zichzelf maar ook zijn land. Elektriciteit, zorg, openbaar vervoer en onderwijs waren nagenoeg gratis. Studenten konden onder Kadhafi rekenen op een een riante maandelijkse toelage, ook als ze in het buitenland studeerden. Ook werklozen kwamen er met een jaarlijkse toelage van omgerekend 15.000 dollar lang niet bekaaid vanaf. Pas-getrouwde stellen kregen van de staat hun eerste woonruimte (maximaal 150 vierkante meter) cadeau. Auto’s waren tegen kostprijs verkrijgbaar – en voor de brandstof hoefde slechts 0,08 cent per liter te worden afgerekend. Economisch gezien ging het Libië jarenlang voor de wind: er was nauwelijks werkloosheid en het land beschikte over het hoogste bruto binnenlandse product van Afrika.

Ook op internationaal gebied toonde Kadhafi zich menigmaal een leider met een missie: hij stak veel geld in de ontwikkeling van Afrikaanse staten en streefde naar een ‘Verenigd Afrika’ om de gezamenlijke belangen te behartigen. Deze week hebben we bovendien kunnen vernemen dat de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten nauwe contacten onderhielden met Kadhafi als ‘onderaannemer’ in hun strijd tegen het terrorisme.

Maar tegelijkertijd was het beleid van de ‘Broeder-Leider’, zoals hij zich graag liet aanspreken, vooral gebaseerd op eigenbelang. Kadhafi was als een blinkend rode appel met een rottend klokhuis: zijn beleid was vooral mooi aan de buitenkant. IdZ