Eén lp van Pink Floyd was genoeg

Op 26 september komen alle veertien studioalbums van Pink Floyd opgepoetst en opgeleukt opnieuw uit. Dat die box er mooi uit zal zien en goed zal klinken, geloven we wel. Maar wat vinden we anno 2011 van die muziek?

Dit verhaal wordt niet verteld door een fan, maar evenmin door een hater. Noem hem maar een outsider die, soms tegen wil en dank, op een paar cruciale ogenblikken in zijn leven magische momenten beleefde op de klanken van een band voor wie hij meestal niet was gekomen en waarvan hij ook geen platen in de kast had staan. Pink Floyd werd getolereerd omdat het hem iets opleverde. Vriendschap, bijvoorbeeld. Hij heeft nooit meer zo’n gevoel van saamhorigheid gevoeld als bij het collectief beluisteren van Meddle. Krat bier op de grond, dikke blow in de bek, mooie meid binnen handbereik – en zweven maar. Keer op keer op keer. Of bij het wachten op de ijselijke kreet in Careful with That Axe, Eugene, een kick waarvan de impact steevast kon worden vermenigvuldigd met het aantal aanwezigen in de kamer. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.

Hij heeft nog meer onuitwisbare beelden. De blik van een schoolvriend die de avond ervoor Atom Heart Mother voor het eerst had beluisterd: zó moest het ultieme geluk eruitzien. En – een herinnering die zo goddelijk is dat hij wel apocrief moét zijn – de bloedrode zon die precies opkwam op het moment dat de ‘Floyd’ het popfestival in het Rotterdamse Kralingen afsloot met Set the Controls For The Heart Of The Sun. Dat zijn persoonlijke muzikale voorkeuren elders lagen, deed er niet zoveel toe: met John Coltrane of Ornette Coleman maakte je geen vrienden. Nou ja, ééntje dan – en die heeft hij nog steeds. Net als die jazzplaten trouwens. En het volledige oeuvre van die superband, dat samen met alle andere vrienden in vergetelheid raakte, is in dit nieuwe millennium just one mouse click away.


Maar waar te beginnen? Gedisciplineerd bij de single Arnold Layne uit 1967? Of even random zappen voor een vluchtige hernieuwde kennismaking? Dat laatste maar. Klik: bij toeval stuit hij meteen op een jazz connection: de saxofoonsolo in Shine On You Crazy Diamond Part I. Niet écht een talent, die Dick Parry. Ze hadden, zoals Steely Dan dat deed met de authentieke bopper Phil Woods, beter een echte saxofonist kunnen inhuren in plaats van een schoolvriend van David Gilmour. Klik: A Momentary Lapse of Reason. Hoewel hij dit album nooit in zijn bezit heeft gehad, en hij in 1987 ook geen vrienden of geliefden meer had die Pink Floyd-fan waren, blijkt hij de hele plaat – uit nieuwsgierigheid heeft hij ‘m helemaal beluisterd – nummer voor nummer uit zijn hoofd te kennen. Een mysterie dat hij voorlopig maar a momentary loss of memory zal noemen. Dan – klik! – toch maar terug naar Arnold Layne, waar het allemaal mee begon.

Wie Arnold Layne zegt, zegt Syd Barrett, het vermeende genie dat slechts drie jaar lid van Pink Floyd zou zijn, maar wiens duistere schaduw tot aan zijn dood in 2006 boven de groep bleef hangen. Voordat Barrett zich in 1965 bij de groep voegde, was de pre-Floyd nog een stuurloos rhythm-‘n-bluesbandje dat beter was in het bedenken van groepsnamen – The Meggadeaths, Leonard’s Lodgers, Spectrum 5, The Tea Set – dan in het schrijven en spelen van eigen songs.

Een carrière als coverband zat er ook al niet in. Jaren later legde een gegeneerde Roger Waters op de televisie uit waarom niet: “Omdat we niet konden… je weet wel…” Hij krijgt het zinnetje ‘niet konden spelen’ na al die jaren nog steeds niet uit zijn mond. Helemaal waar was dat niet: toetsenist/multi-instrumentalist Richard Wright had de prestigieuze Eric Gilder School of Music bezocht, maar daar leer je weer geen blues of rock spelen. Uiteindelijk koos hij voor een ‘serieuze’ studie architectuur aan de Regent Street Polytechnic, waar hij in zijn medestudenten Roger Waters en Nick Mason een bassist en een drummer vond, met wie hij zijn liefde voor muziek op een wat meer hobbymatige manier ging beoefenen. Lang duurde zijn liefde voor de architectuur niet: na een jaar stapte hij over naar het London College of Music. “We wanted to be famous,” hebben de drie eerste Floyds later in interviews meerdere malen gezegd. En beroemd worden was halverwege de jaren zestig, als we de gortdroge humor van Nick Mason mogen geloven, makkelijker dan ooit. Terugblikkend op de swinging sixties stelt hij dat ‘de platenmaatschappijen in die tijd iedereen met lang haar een contract aanboden. En als het dan per ongeluk een golden retriever bleek te zijn, so what…’


Moraal van het verhaal: de eerste line-up van Pink Floyd kon nog niet echt goed spelen, en daar zou de komst van Syd Barrett geen verandering in brengen. Waters, Wright en Mason erkenden dat Barrett dingen deed op een gitaar die niemand anders in zijn stoutste dromen zou durven doen. Zijn experimenten beïnvloedden ook hen. Rick Wright begon ook dingen op zijn keyboards te doen die, naar zijn eigen zeggen, niemand ooit eerder had gedaan. En inderdaad: technisch was het spel van Barrett niet zo briljant, maar techniek kwam bij Pink Floyd nooit op de eerste plaats. Originaliteit, dáár draaide het om. En Barrett barstte van de originaliteit, een originaliteit die wat schizofrene trekjes had. Aan de ene kant had hij de gave om catchy popdeuntjes te bedenken, anderzijds kon hij zich verliezen in geïmproviseerde, ongestructureerde, atonale noise. Het was aan Roger Waters, de architect van de band, en producer Norman Smith om die twee elementen op een creatieve manier bij elkaar te brengen. Dat was niet altijd even makkelijk: Barrett, die later door zijn bandgenoten ‘een van de eerste lsd-slachtoffers’ wordt genoemd, liet zich door zijn bovenmatige druggebruik maar moeilijk aansturen.

Vijfenveertig jaar na dato klinken die eerste Pink Floyd-singles toch een beetje geforceerd. Wat je vooral goed hoort, is hoe graag Syd Barrett John Lennon wilde zijn, de artiest die hij enorm bewonderde. Maar vergeleken met Lennons monumentale, van lsd doordrenkte songs – Tomorrow Never Knows, Strawberry Fields Forever, I am the Walrus – zijn – klik! – Arnold Layne, See Emily Play of Candy and a Current Bun niet meer dan een paar allereerste, min of meer geslaagde vingeroefeningen. De liedjes schurken, waarschijnlijk door de druk van de platenmaatschappij om hitsingles te schrijven, te veel aan tegen Top of The Pops-niemendalletjes, de uitvoering is rommelig en de productie als geheel ontbeert een visionair als George Martin, de man die tijdens de opname van Arnold Layne in februari 1967 de laatste hand legde aan Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band.


Met de geestelijk gezondheid van Barrett ging het snel bergafwaarts: in november van dat jaar werd met Apples and Oranges de laatste door hem geschreven single opgenomen. Daarna kon en wilde hij niet meer. Barrett, zo wordt weleens gezegd, leefde zoals hij zich voortbewoog: hij liep niet, maar leek op zijn voeten te stuiteren, een eigenschap die Roger Waters ooit deed constateren dat Barrett in veel opzichten leek op Tigger uit Winnie the Pooh. “Bouncing is what Tiggers do best,” constateerde het tijgertje in de boeken van A.A. Milne. Maar bij Barrett was de veerkracht eruit.

Om aan de vraag van de maatschappij te voldoen, stortten de andere leden van de band zich op het schrijven van hitsingles – met desastreuze gevolgen. Aan de resultaten van die ambitie worden Waters en Wright liever niet herinnerd. Het nieuwe adagium luidde: als we geen korte dingetjes kunnen maken, dan gaan we maar lange dingen doen. Ook het maken van ‘die lange dingen’, het latere handelsmerk van een band die geen hits meer kon of wilde maken, werd door Barrett op de rails gezet. Met de nummers Astronomy Domine (niet echt lang, maar wel radicaal) en Interstellar Overdrive leverde de band een statement af: psychedelische space music voortbewogen door een staccato baslijn, een formule die met One of These Days op Meddle een hoogtepunt zou bereiken.

Het zijn met name die nummers die – klik! – The Piper at the Gates of Dawn (1967) nog verteerbaar maken. Want als Syd Barrett na het mind-blowing Interstellar Overdrive met een lijzige stem een van zijn kabouterliedjes gaat zingen (“I want to tell you a story/’bout a little man/ if I can…”), dan lijkt het ineens niet zo erg meer dat hij kort daarna uit de band werd gezet. Wel erg was het dat hij door zijn vele acid trips een permanente hersenbeschadiging opliep, maar over de vraag of het erg is geweest voor de verdere ontwikkeling van Pink Floyd – de schrijver dezes krabt zich even peinzend achter het oor – dáár valt nog over te twisten.


Dat de band na de dramatische teloorgang van Barrett lange tijd stuurloos was, horen we op het tweede album, A Saucer full of Secrets (1968). David Gilmour, nota bene een jeugdvriend van Barrett, had diens plaats – eerst op de bank als ‘reservegitarist, na Barretts ‘ontslag’ als permanent bandlid – definitief ingenomen. Schuldgevoelens hebben ongetwijfeld een verlammende werking gehad op de Saucer sessions. De vraag wie nu de artistieke kar moest trekken, werd met enige overtuigingskracht beantwoord met Roger Waters’ Set the Controls for The Heart of the Sun, een typisch Floyd-nummer dat door David Gilmour cynisch als ‘Roger’s first moment of glory, I suppose’ wordt omschreven. Jammer dat hij in de volgende track, Corporal Clegg (had a wooden leg), meteen al de poten onder zijn eigen geloofwaardigheid vandaan zaagt.

Pink Floyd is artistiek gezien on hold, geniet even van de onaantastbare status die The Piper in de hippe Londense underground heeft afgedwongen, en dobbert nog een jaartje besluiteloos voort. De soundtrack voor de film More (1968) bevat maar weinig memorabele muziek, en het dubbelalbum Ummagumma (1969) verklankt de machtsgreep van Richard Wright. Hij voelde zich ondergewaardeerd en beschuldigde de rest van de band van het verkwanselen van hun idealen. Maar in zijn vierdelige suite Sysyphus, waarin hij in de voetsporen treedt van de componisten John Cage en Karlheinz Stockhausen, geeft hij niet echt een antwoord op de vraag hoe het nu verder moet. Nick Mason probeert ook eens wat, eveneens in een muzikaal vierluik, maar ook zijn The Grand Vizier’s Garden Party biedt weinig toekomstperspectief. Het live-gedeelte van het album is duidelijker. Met definitieve versies van Astronomy Domine, Careful with that Axe, Eugene, Set the Controls for the Heart of the Sun en A Saucer Full of Secrets lijkt de dubbelelpee maar één boodschap te bevatten: dit is Pink Floyd en zó willen we verder gaan.


Na Zabriskie Point, hun derde soundtrack – ze verzorgden tussendoor nog de muziek voor de documentaire Tonite Let’s All Make Love in London – nam de band – klik! – Atom Heart Mother (1970) op, een album dat door de Floyd zelf vaak achteloos opzij wordt geschoven. Gilmour noemde het ‘a load of rubbish’ en constateerde dat ‘it didn’t do much for the development of Pink Floyd’. De schrijver van dit verhaal heeft daar een andere mening over – en niet alleen door de gelukzalige glimlach van die klasgenoot veertig jaar geleden. Met name de magische bombast van het titelstuk bevalt hem wel. De rest, daarin heeft Gilmour gelijk, is redelijk gezocht of slaapverwekkend.

Maar dan, bijna vier jaar na Barretts vertrek, is het eindelijk zover. Wie op 13 november 1971 Meddle op de draaitafel legde, hoefde geen moment meer te twijfelen: Pink Floyd was, eindelijk, terug. De tomeloos voortdenderende openingstrack One of These Days duldt absoluut geen tegenspraak. Niet dat de band dit hoge niveau een plaat lang volhoudt: A Pillow of Winds is, zoals de titel al doet vermoeden, een beetje gebakken lucht, San Tropez klinkt als een Kinks-pastiche en Seamus hadden ze maar beter helemaal niet kunnen opnemen. Fearless kan er, met name door dat even vervreemdende als fantastische voetbalkoor, best mee door. In Echoes lijkt de band – iedereen schreef mee aan de song – een manier te hebben gevonden om ‘de korte dingetjes’ met ‘de langere dingen’ te combineren. Syd Barrett lijkt weer in de band te zitten. En in de geest van Pink Floyd was dat ook zo.

Na nog een soundtrack, Obscured by the Clouds voor de film La Vallée, was Pink Floyd klaar voor – klik! – The Dark Side of the Moon (1973), Pink Floyds equivalent van Sgt. Pepper’s, Pet Sounds of Velvet Underground with Nico. Het album is – de schrijver had het al jaren niet meer gehoord – bijna veertig jaar na verschijning nog steeds mind-boggling. Verbijsterend ook dat deze toch redelijk experimentele plaat 760 weken in Amerikaanse charts stond en nog steeds goed verkoopt. The Dark Side of the Moon roept een universeel gevoel van ongemak op waar we ons allemaal in herkennen: het lijkt dat we het allemaal dik voor elkaar hebben, maar toch klopt er iets niet. Laten we het een onbestemd gevoel van onbehagen noemen. Pink Floyd had een handvol singles, vier soundtracks, vijf albums en zes jaar nodig om tot deze apotheose te komen. De donkere kant vanThe Dark Side of the Moon is dat dit meesterwerk alle Pink Floyd-platen die eraan voorafgingen – en zeker die erna kwamen – overbodig maakt. De band had nog zes albums en een tijdsbestek van 22 jaar nodig om alles wat ze hadden opgebouwd tot aan de grond toe af te breken.


De verteller van dit verhaal – geen fan, maar ook geen vijand – heeft eigenlijk niet veel zin om dit pijnlijke verval minutieus te beschrijven. Haat, nijd, rechtszaken en verloren vriendschappen: je wordt er niet vrolijk van. De megalomane, gestaag groeiende dictatuur van Roger Waters – Animals, The Wall, The Final Cut – de schrijver heeft ze – klik! – allemaal herbeluisterd, maar hoeft ze nóóit meer te horen. Wish You Were Here (1975), met Shine on You Crazy Diamond als monument voor Syd Barrett – dát was nog mooi. En ja: A Momentary Lapse of Reason (1987) is op mysterieuze wijze een guilty pleasure geworden. Maar The Division Bell (1984)? Hij is er niet meer aan toegekomen. Het werd weer tijd om een plaat van John Coltrane op te zetten. Want dat is óók mooie muziek. Je maakt er dan misschien geen vrienden mee, maar één ding heeft hij wel van Pink Floyd geleerd: with friends like that, who needs enemies?

Ruud Meijer