Toch nog ontdekt

‘Een schrijver zonder succes is geen gezicht,’ zei Harry Mulisch. Henk Romijn Meijer was zo’n schrijver. Het tijdschrift De Parelduiker probeert dat postuum recht te zetten.

Bij zijn leven heb ik verscheidene malen geprobeerd Henk Romijn Meijer (1929-2008) aan de man te brengen, maar goed gelukt is dat niet. Enkele van zijn boeken heb ik lovend besproken, ik heb hem ooit eens geïnterviewd en in 2004 heb ik hem zelfs een prijs (de Max Pam Award) gegeven voor zijn korte verhalen. Maar dat heeft niet veel geholpen. Zijn oplagen bleven bescheiden, en anders dan zijn tijdgenoot Gerard van het Reve slaagde hij er niet in zijn verlegenheid te overwinnen en zich in de media op de borst te slaan. Zo bleef hij een schrijver in de marge, iemand die wel voor altijd een Geheimtipp für Kenner zal blijven.

Toen Henk Romijn Meijer al op leeftijd was, heeft Tom van Deel eens opgemerkt dat HRM ‘nog steeds een schrijver is die ontdekt moet worden’. Dat is tot zijn dood, en zeker ook daarna, zo gebleven. Zelf citeerde HRM graag de uitspraak van de Amerikaanse dichter Robert Lowell: “The public is a lost cause.” Het publiek is een verloren zaak.

Hoewel, laten wij toch niet al te zeer gaan miezeren.

Onlangs heeft het tijdschrift De Parelduiker een heel nummer uitgebracht over Henk Romijn Meijer. Honderdzestig pagina’s beschouwingen, dagboekfragmenten, brieven, roddels, foto’s en wat dies meer zij, dat lot is toch niet iedere dode schrijver beschoren. Zo onopgemerkt is hij dus ook weer niet gebleven.

Toen Henk Romijn Meijer in 2004 de door HP/De Tijd ingestelde prijs kreeg, was hij erg blij. Het gebrek aan erkenning zat hem dwars. Zijn boeken werden nooit genomineerd door de deftige jury’s van de AKO of de Libris Literatuurprijs. Toen dat eindelijk wel een keer gebeurde, was hij al over de zeventig. Hij veerde even op toen zijn naam op een longlist verscheen en schrompelde weer ineen toen zijn naam niet tot de shortlist was doorgedrongen.


Dat alles is des te opmerkelijker omdat Henk Romijn Meijer eigenlijk een vliegende start in de Nederlandse literatuur heeft gekend. In 1954 had hij voor zijn debuut Consternatie immers de Reina Prinsen Geerligsprijs gekregen, een onderscheiding voor jonge auteurs. Daarmee bevindt Romijn Meijer zich in het gezelschap van onder meer Reve, Mulisch, Blokker en Campert. En van Leon de Winter, die in 1979 die prijs voor de laatste keer kreeg. Toch geen kleine jongens, en het lag dan ook in de lijn der verwachtingen dat ook HRM eens zou doorbreken als auteur. Zoals wij weten is dat nooit gebeurd. Zelden gingen er van zijn boeken meer dan drieduizend exemplaren over de toonbank.

Veelzeggend in dit verband is een brief van uitgever Theo Sontrop, die is afgedrukt in De Parelduiker. Aan HRM schrijft Sontrop, nadat hij het verhaal East Coker heeft geprezen: “Ik realiseerde mij bovendien – en zei dat vanmorgen tegen Martin Ros – dat ik mezelf kwalijk moest nemen dat ik in vroegere contacten met jouw werk (het soort contacten dat impliceerde dat ik jouw uitgever had kunnen worden) mijn commerciële pessimisme heb laten prevaleren boven de waardering voor dat werk.”

Zoiets blijft tragisch, en ik moet in zulke gevallen altijd denken aan een uitspraak van Harry Mulisch: “Een schrijver zonder succes is geen gezicht.” Uit het speciale nummer van De Parelduiker blijkt dat er al bij de uitreiking van de Reina Prinsen Geerligsprijs iets vreemds aan de hand was. Twee dagen voor de uitreiking kreeg Romijn Meijer namelijk een brief waarin hem met klem werd gevraagd een bepaald verhaal uit de bundel niet voor te lezen.

Mevrouw Geerlings-Zon, van het echtpaar dat de prijs ter beschikking stelde, had bij nader inzien ontdekt dat een van de personages, de zangeres Andra Stephanowski, naar het leven was getekend en duidelijke overeenkomsten vertoonde met de zanglerares Jeanne Bacilek. Deze zangeres werd neergezet – zeg maar: belachelijk gemaakt – als een in het verleden levende diva, en zoiets werd niet passend beschouwd door mevrouw Geerlings-Zon. Met succes sprak zij de jury, bestaande uit Anton Coolen, Anna Blaman en Hella Haasse, erop aan.


De zachtaardige Romijn Meijer heeft toen zijn prijsgevers niet gechoqueerd. Als het Gerard Reve of Willem Frederik Hermans was overkomen, zou het vermoedelijk heel anders zijn gegaan. Een relletje is zo geboren, en dat is voor de verkoop van boeken altijd nuttig. Had HRM toen op de trom geslagen, dan was zijn carrière misschien heel anders verlopen.

De drijvende kracht achter de uitgave van De Parelduiker is Gerben Wynia, oud-recensent van De Twentsche Courant. Nadat Romijn Meijer hem in 1991 had aangeschreven, ontwikkelde zich een vriendschap. Na HRM’s dood heeft Wynia ook een oogje gehouden op de nalatenschap.

Het is een uitgave voor een select groepje fans geworden, waaruit in elk geval blijkt dat HRM altijd zijn eigen gang is gegaan. Zo had hij een voorliefde voor het realisme en lieerde zich aan de galeries Mokum en Siau. Die brachten kunst die niet aansloot bij de tijdgeest en waarop werd neergekeken. Maar Romijn Meijer kon dat niets schelen. In zijn eigen werk is hij ook conventioneel. Hij zoekt het verrassende niet in de vorm, maar in wat hij te zeggen heeft.

Dat hij nergens in meeliep, was een belangrijke eigenschap. Hij was een kenner van de Amerikaanse literatuur en men moet beseffen dat Amerika vanaf de Vietnamtijd bijna een besmet land was. Het vooroorlogse adagium van Ter Braak: waarom ik Amerika afwijs, werd door Romijn Meijer als een potsierlijke misvatting afgedaan.

De uitgave geeft meer inzicht in de literaire relaties die Romijn Meijer onderhield. Zo behoorde ook hij tot het leger auteurs dat voortdurend overhoop lag met uitgever Geert van Oorschot. Wat was die man toch een verschrikkelijke bullebak! Met zijn generatiegenoot J.J. Voskuil waren de contacten aanvankelijk intens. Zij hadden ongetwijfeld een gemeenschappelijke levenshouding, maar de verhoudingen werden verstoord toen Van Oorschot Het Bureau begon uit te geven.


Hem wel, moet Romijn Meijer gedacht hebben. In een aantal voor Voskuil minder gunstige observaties heeft HRM ongetwijfeld gelijk, maar je proeft ook – gevaarlijk om te zeggen – een zekere afgunst om het succes dat ineens op Voskuils wereld neerdaalt. Met Voskuil zal het ook nooit meer goedkomen, terwijl Romijn Meijer de eerste is om brouilles bij te leggen – tenminste, dat schrijft hij over zichzelf.

Henk Romijn Meijer was naast alles een groot jazzkenner, die zelf gitaar speelde. Hij was meer dan een veredelde amateur, maar optreden – jezelf in de schijnwerpers zetten – daarin was hij slecht. Die eigenschap heeft hem ook in de literatuur parten gespeeld. Veel van zijn boeken spelen op Franse platteland, waar hij een huis had. “De Franse boeren,” zei hij eens, “hebben geen filosofie voor een leven na de dood. Daar zijn ze keihard in. Moi? Dat woord gebruiken zij niet graag. Over een paar jaar ga ik de kuil in, zeggen ze. Dans le trou. Dat is alles.”

Zo is ook met Henk Romijn Meijer gegaan, maar toch niet helemaal.

De Parelduiker 3-4. Bas Lubberhuizen, €17,50. Ook verkrijgbaar via ako.nl.