‘Je moet een doodziek kind helpen vechten’

De zoon van Mark Boog werd overvallen door een mysterieuze aandoening. Wat volgde was zo ingrijpend dat Boog er wel een boek over móest schrijven. Een literair boek. ‘De lezer zou anders zijn schouders ophalen: een ziek kind. Goh, wat erg.’

Meer dan drie jaar geleden is het alweer. De zoon van Mark Boog had, bijna van het ene op het andere moment, zo’n verschrikkelijke hoofdpijn dat zijn ouders hem naar de huisarts brachten. Paracetamol hielp niet. Ook gedroeg hij zich afwezig. Maar bij de huisarts was de hoofdpijn opeens over. De 7-jarige jongen schreeuwde het uit van de buikpijn. De huisarts vertrouwde het niet en stuurde hem meteen door naar het kinderziekenhuis.

Drie weken tussen hoop en vrees volgde. Met hun zoon – Boog zegt liever niet hoe hij heet – ging het steeds slechter. Hij kreeg zware epileptische aanvallen en onverklaarbare rode uitslag. Hij at en dronk niet, sliep alleen maar. Artsen wisten niet wat hem mankeerde en onderwierpen hem aan het ene onderzoek na het andere. Tot een moment waarop Boog dacht dat zijn zoon langzaam onder zijn ogen lag te sterven en opeens een helder moment had. Vanaf toen knapte hij gestaag op.
Moest Boog (1970) hierover een boek schrijven? Dat is tenslotte het beroep dat hij met veel succes uitoefent. Vooral als dichter is hij gelauwerd. Zijn debuut Alsof er iets gebeurt werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Voor De encyclopedie van de grote woorden kreeg hij in 2005 de VSB Poëzieprijs voor ‘beste bundel van het jaar’. Maar ook zijn romans worden unaniem geprezen. Ik begrijp de moordenaar stond twee jaar geleden op de longlist van de AKO Literatuurprijs.
Veel schrijvers gingen hem voor in het schrijven over hun kind. Van P.F. Thomése (Schaduwkind) en A.F.Th. van der Heijden (Tonio) tot een journalist als Aleid Truijens (Geen nacht zonder) – als je kind iets ernstigs overkomt, is de aandrang om daar verslag van te doen te sterk om te weerstaan. Maar Boog is allesbehalve een autobiografische schrijver. Sterker: een afstandelijke, registrerende toon kenmerkt zijn werk. In zijn romans onderzoekt hij eerder thema’s dan dat hij verhalen vertelt.
“Ik heb er heel lang over nagedacht,” zegt Boog aarzelend. “Bijna twee jaar. Maar zoiets ingrijpends, daar moest ik wel over schrijven. Het is geen mislukte vakantie of zo. Dat maakt het ook tot een beslissing om hier géén boek over te schrijven. Uiteindelijk besefte ik: vroeg of laat doe ik het toch. Ik heb toen toestemming gevraagd aan mijn vrouw en zoon. Gelukkig vonden ze het goed. Mijn zoon vond het zelfs logisch: “Boeken schrijven is toch wat papa doet?”
In de nare weken van 2008 schreef Boog wel gedichten. “Verrassend veel zelfs. Bijna dertig. En erg goed ook. Ik beschouw ze als mijn beste werk. Misschien omdat ik ze in een roes schreef. Het voelt ook alsof ik de gedichten heb bezorgd in plaats van geschreven. Ik heb ze, voorafgegaan door een witte pagina, in chronologische volgorde gepubliceerd in Er moet sprake zijn van een misverstand. Veel gedichten gaan expliciet over het ziekenhuis, maar alle critici vatten dat metaforisch op.”
Toch was poëzie niet genoeg. Boog wilde explicieter en completer overbrengen hoe ingrijpend de ziekte van zijn kind voor hem was. Daarvoor moest hij een roman schrijven: het onlangs verschenen Het lot valt altijd op Jona.

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

maarten dessing