Klassiek volgens Tori Amos

Schubert, Schumann en Satie inspireerden Tori Amos tot een liederencyclus over een wonderlijke liefde. ‘Ik wilde mijn teksten niet op deuntjes plakken die iedereen kan meefluiten. Dat zou niet hebben gewerkt.’

Het Londense Gore Hotel verandert even in de Tate Gallery wanneer Tori Amos als The Lady of Shalott de duistere bar komt binnen drijven. Jawel, drijven. Want hoewel zij niet niet in een statig bootje zit (zoals het mysterieuze model in het bekende schilderij van John William Waterhouse), lijkt de zangeres zich toch nagenoeg bewegingsloos te verplaatsen. En net als bij de op Arthur-legendes geënte schilderijen van Engelands bekendste Prerafaëliet, krijg je in de nabijheid van Amos de stellige overtuiging dat er meer tussen hemel en aarde is dan de menselijke zintuigen kunnen waarnemen. We zijn ter begroeting nog maar half opgestaan als zij, het wuivende rode haar als een laatste groet, alweer door de tegenoverliggende deur is verdwenen. We laten ons weer zakken en slaan bij gebrek aan betere ideeën een mentaal kruisje: Myra Ellen Amos, de godin van de magische rocksong, heeft het zojuist behaagd om aan ons te verschijnen. Niet als een kloon van The Lady of Shalott, zoals op de hoes van Night of Hunters, maar als de mystieke 21ste-eeuwse schone die Amos op haar 48ste nog steeds is.

Het geeft dan ook een raar gevoel om tien minuten later ‘gewoon’ bij haar aan tafel te zitten. Het charisma van Tori Amos is zó intimiderend dat je voortdurend het gevoel hebt dat je iets moet doen: haar voeten kussen, een lam offeren of neerknielen in devoot gebed. Maar uit gêne – en bij gebrek aan lam – besluiten we toch maar gewoon te blijven zitten. Ook de kelderruimte waarin we ons bevinden, het perfecte decor voor een gothic novel waarin voortdurend geesten verschijnen of skeletten uit de kast vallen, lijkt te zijn gevonden door een locatiescout die slechts één heldere opdracht kreeg: vind een interviewplek die naadloos aansluit bij de thematiek van Tori’s nieuwe album Night of Hunters. Want ook in die liederencyclus, waarin naast de geesten van dode componisten ook shapeshifters en sterrenfluisteraars ronddolen, is het niet helemaal pluis.

Amos putte de inspiratie voor de cyclus uit Keltische mythen en sagen, afkomstig uit het prechristelijke tijdperk in Ierland. Het openingslied, de muziek is een variatie op een prelude van de obscure Franse componist Charles-Valentin Alkan, speelt zich af in een Georgian huis te Kinsale, aan de oevers van de rivier de Bandon. De heldin, tori (consequent zonder hoofdletter geschreven), raapt de scherven van een relatie bij elkaar en vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen.
In de tweede song, het door een stuk van de Spaanse componist Granados geïnspireerde Snowblind, ontmoet tori Annabel, een wezen dat vele vormen (vaak een klein meisje) kan aannemen, maar zich nu manifesteert als vos. Annabel suggereert dat tori, als zij precies wil begrijpen wat er in haar relatie mis is gegaan, drieduizend jaar terug in de tijd moet gaan, omdat zij en haar geliefde in die tijd al een stuk geschiedenis met elkaar hadden. En wat er toen verkeerd ging, zou nu de oorzaak van de stukgelopen relatie kunnen zijn.

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

ruud meijer