1971: toen was ‘onderkruipsel’ nog heel gewoon

En als Geert Wilders zijn opponent Job Cohen nu eens geen bedrijfspoedel had genoemd maar, laten we zeggen, een ‘onderkruipsel’? Dan was de gehele Tweede Kamer vast in alle staten geweest. Voorzitter Gerdi Verbeet had Wilders ongetwijfeld op verontwaardigde toon tot de orde geroepen. Maar dat is dan wel een tijdsgebonden verontwaardiging. Want in 1971 vond Verbeets voorganger Van Thiel de term ‘onderkruipsel’ geen enkel probleem.

In een debat noemde Fré Meis van de Communistische Partij Nederland het onafhankelijke Kamerlid Jac. de Jong een ‘politiek onderkruipsel’. De Jong werd woedend en eiste dat Kamervoorzitter Van Thiel zou vaststellen of de term toelaatbaar was. De voorzitter laste een korte pauze in om er Van Dale op na te slaan. Om tot de conclusie te komen dat onderkruipsel wat hem betreft moest kunnen. “Onderkruipsel is iets dat klein gebleven is, bijvoorbeeld een kleine partij,” zei hij. De Jong was op dat moment afgescheiden van de Nederlandse Middenstandspartij en vormde een eenmansfractie. “Men kan er wel een belediging achter zoeken,” vervolgde Van Thiel. “De gevoelswaarde kan voor iemand beledigend zijn. Dat is echter mijn zaak niet. Mijn zaak is of dit objectief een belediging is. Dat is het mijns inziens niet.”

Of de Kamervoorzitter de term ‘schoft’ dan wel beledigend zou vinden, wilde De Jong nog weten. Een schoft valt immers ook nog uit te leggen als de schouder van een paard. Van Thiel zou schoft echter ontoelaatbaar vinden: dat woord heeft een andere gevoelswaarde dan onderkruipsel. Maar, zo voegde hij eraan toe: “Als iemand aan wiens oordeel ik weinig waarde hecht mij een schoft noemt, kan hij mij eigenlijk niet beledigen.”

Díe opmerking is dan weer wél van toepassing op de politiek van tegenwoordig.

mark traa