Carrièrekiller

Tenzij Job Cohen binnenkort alsnog richting coulissen wordt geschoven, dreigt het definitieve einde van een hele generatie potentiële PvdA-leiders.

Veel Nederlanders zijn eraan gewend geraakt en dus valt het ons vaak niet eens meer op. Maar toch. Neem een buitenlandse bezoeker mee naar de publieke tribune van de Tweede Kamer en u zult het onmiddellijk te horen krijgen: dat de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid visueel nogal uit de toon valt bij zijn collega’s van de andere partijen. Door – hoe gnant het misschien ook mag klinken – zijn leeftijd.

Want wat is er aan de hand? Met uitzondering van de 39-jarige Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren behoren alle fractievoorzitters in onze volksvertegenwoordiging tot de categorie veertigers: Stef Blok (VVD, 46), Geert Wilders (PVV, 48), Sybrand van Haersma Buma (CDA, 46), Emile Roemer (SP, 49), Alexander Pechtold (D66, 45), Jolande Sap (GroenLinks, 48), Arie Slob (ChristenUnie, 49) en Kees van der Staaij (SGP, 43). Job Cohen daarentegen hoopt over vier weken zijn alweer 64ste verjaardag te vieren. Van veel van zijn collega-fractieleiders had hij de vader kunnen zijn.

Zoals bekend maakte Cohen bij de vorig jaar gehouden Tweede Kamerverkiezingen zijn debuut als lijsttrekker. Het is destijds slechts weinig mensen opgevallen hoe uitzonderlijk die wisseling van de wacht was. Want als een politieke partij in Nederland een nieuwe lijsttrekker krijgt, dan is die persoon in de meeste gevallen aanzienlijk jonger dan de man of vrouw die ermee stopt. Logisch ook, want zo volgen de generaties elkaar in de politiek op. Mark Rutte (1967) was vijftien jonger dan zijn voorganger Gerrit Zalm (1952), Jan Peter Balkenende (1956) acht jaar jonger dan Jaap de Hoop Scheffer (1948), Femke Halsema (1966) tien jaar jonger dan Paul Rosenmöller (1956), Alexander Pechtold (1965) acht jaar jonger dan Thom de Graaf (1957), Emile Roemer (1962) tien jaar jonger dan Jan Marijnissen (1952), enzovoorts.


Wat er vorig jaar bij de PvdA gebeurde, was echter een unicum in de naoorlogse parlementaire geschiedenis van ons land: voor het eerst werd een lijsttrekker – namelijk Wouter Bos (1963) – op-gevolgd door iemand – namelijk Job Cohen (1947) – die maar liefst zestien jaar ouder was. Minstens zo frappant: Cohen was niet alleen aanzienlijk ouder dan Bos, maar zelfs ouder dan de vóórganger van Bos, te weten Ad Melkert (1956). Anders gezegd: er kwam bij de PvdA geen volgende generatie aan de macht, maar een vórige.

We zouden dat allemaal onvermeld hebben gelaten indien Cohen niet onlangs had laten weten dat hij ook bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen graag weer lijsttrekker wil worden en – opvallender nog – dat níemand in de PvdA daar de afgelopen twee weken een kritische kanttekening bij plaatste, niet hardop en ook niet op fluistertoon.

Hoe merkwaardig dat is, blijkt als we nog even wat extra rekenwerk doen.

Tenzij het kabinet-Rutte voortijdig valt, zullen de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezingen worden gehouden op woensdag 13 mei 2015. Cohen zal dan 67 zijn. Dat is zelfs nog een jaar ouder dan Joop den Uyl toen die in 1986 voor de zevende en laatste keer PvdA-lijstaanvoerder was. Nóg een rekensommetje: stel, Cohen wordt na de Kamerverkiezingen van 2015 minister-president. Dan is hij 71 wanneer zijn kabinet in 2019 is uitgeregeerd. Idem dito, uiteraard, indien Cohen in 2015 vice-premier zou worden.

Nee, het gaat hier niet om zomaar een rijtje leeftijdsrecords. Het gaat – in essentie – om iets veel groters. We noemden al de naam van Joop den Uyl. Die nam het in de jaren tachtig van de vorige eeuw op tegen een twintig jaar jongere lijsttrekker als Ruud Lubbers (CDA) en zelfs tegen een bijna dertig jaar jongere concurrent als Ed Nijpels (VVD). Dat zijn geen episodes waar ze in de PvdA graag aan terugdenken. Want er ging destijds – zonder dat dat meteen duidelijk zichtbaar werd – iets fundamenteel mis met de Nederlandse sociaaldemocratie. De PvdA verdorde. In ideologisch opzicht – omdat de zestigplusser Den Uyl geen feeling had met het no-nonsense levensgevoel van de jaren tachtig – maar ook omdat een jongere generatie PvdA’ers met leiders-capaciteiten eenvoudigweg niet aan de bak kwam.


Den Uyl namelijk wilde tot 1986 van geen wijken weten. En dus vertrokken zijn zogenoemde kroonprinsen een voor een uit Den Haag om hun heil elders te zoeken: Ed van Thijn werd burgemeester van Amsterdam, André van der Louw voorzitter van het openbaar lichaam Rijnmond, Jos van Kemenade ging aan de slag als voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam en Marcel van Dam werd voorzitter van de VARA. Ze hadden lang genoeg op hun beurt gewacht, vonden ze zelf. En dat was natuurlijk ook zo.

De parallellen tussen toen en nu liggen voor het oprapen. Net als in de eerste helft van de jaren tachtig heeft de PvdA een leider die bijna AOW-gerechtigd is. Net als in de eerste helft van de jaren tachtig weet die leider van geen ophouden. En: net als in het begin van de jaren tachtig dreigt er opnieuw een hele trits kroonprinsen naar de knoppen te gaan.

Voor de vijftigplussers onder hen lijkt het zelfs al bekeken. Want zou de Amsterdamse burgemeester en ex-minister voor Wonen, Wijken en Integratie Eberhard van der Laan (56) nog ergens op rekenen? Vast niet. Hetzelfde geldt voor oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders (53), die inmiddels een goed heenkomen heeft gezocht in Ivoorkust, als VN-vertegenwoordiger. Ook de kansen van oud-staatssecretaris Ahmed Aboutaleb (50) lijken verkeken – hij liet zich in 2009 wegpromoveren naar Rotterdam. Twee andere talentvolle vijftigers zijn nog wél op het Binnenhof te bezichtigen, maar kroonprinsen worden ze nog maar zelden genoemd: oud-minister van Onderwijs Ronald Plasterk (54), tevens de enige bioloog die het ooit tot financieel woordvoerder wist te schoppen, en oud-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans (50), die vorig jaar rechtstreeks leek af te stevenen op het burgemeestersambt in zijn geboorteplaats Maastricht, maar die – over sneu gesproken – niet solliciteerde omdat hij een riante PvdA-verkiezings-zege en een kabinet-Cohen voorzag.


Tot zover de vijftigplussers. Maar ook de talentvolle dertigers en veertigers in de PvdA moeten op hun tellen gaan passen. Over wie we het hebben? Over Diederik Samsom (40) bijvoorbeeld. Al ruim acht jaar een goedgebekt en alom gerespecteerd Kamerlid, en in april 2008, na het aftreden van Jacques Tichelaar, bijna gekozen tot fractievoorzitter. Of over Jeroen Dijsselbloem (45), Kamerlid sinds 2000 en drie jaar geleden ‘doorgebroken’ dankzij zijn voorzitterschap van een parlementaire onderzoekscommissie naar onderwijsvernieuwingen. Of over Lodewijk Asscher (36), vermaard wethouder en tweevoudig PvdA-lijsttrekker te Amsterdam, waar hij in 2002 debuteerde als gemeenteraadslid.

Zelfs voor dit drietal begint de tijd te dringen. Want nogmaals: in het geval het kabinet-Rutte de rit uitzit en Cohen in 2015 inderdaad opnieuw lijsttrekker zou worden, zoals hij zelf wil, duurt het in het uiterste geval nog acht jaar – namelijk tot de Kamerverkiezingen van 2019 – voor er een nieuw hoofd op de verkiezingsaffiches van de PvdA zal prijken. Zo’n lange wachttijd is zelfs voor de houdbaarheidsdatum van relatief jonge kroonprinsen fataal: ze worden er veel te vroeg oud van, zoals ook Van Thijn, Van der Louw, Van Kemenade en Van Dam indertijd aan den lijve hebben ondervonden.

Ergo: tenzij Cohen binnenkort alsnog richting coulissen wordt geschoven, dreigt een hele lichting potentiële PvdA-leiders een ‘lost generation’ te worden. Dat zou niet alleen hoogst opmerkelijk zijn, maar ook totaal onbegrijpelijk. Want dat de jonge PvdA’ers van dertig jaar geleden verzuimden om de zestigplusser Den Uyl tot terugtreden te bewegen, daarvoor viel nog wel iets te zeggen. ‘Ome Joop’ had immers een staat van dienst: tussen 1973 en 1977 was hij premier geweest van het meest linkse kabinet ooit, en daarna had hij zich niet te goed gevoeld om weer als oppositieleider in de Kamer te gaan zitten – hoeveel ex-premiers konden hem dat nazeggen? De zestigplusser Job Cohen daarentegen heeft weinig om op te pochen. Bij de Kamerverkiezingen van juni vorig jaar ontpopte hij zich als de slechtst scorende lijsttrekker die de PvdA ooit heeft gehad, op Ad Melkert na. Bij de daaropvolgende kabinetsformatie kwam hij al evenmin uit de verf, en ook als oppositieleider tegen het kabinet-Rutte wist hij geen moment te imponeren. Voorlopig resultaat: in de meest recente peiling van Maurice de Hond is de steeds verder wegzakkende PvdA (18 zetels) inmiddels ingehaald door de SP (23) en bedraagt de voorsprong op D66 (16) nog slechts twee zetels.


Precies die omstandigheid maakt het allemaal zo triest. Want de kroonprinsen van Joop den Uyl konden tenminste nog over zichzelf zeggen dat ze waren verpieterd in de schaduw van een machtige eik. De kroonprinsen van Cohen rest straks wellicht weinig anders dan de constatering dat daar in hun geval slechts een bonsaiboompje voor nodig was.

Roelof Bouwman