Een gearriveerde rebel

Met ‘Het multiculturele drama’ raakte Paul Scheffer in 2000 een goudader. Vanaf dat moment hield hij zich met niets anders bezig dan de verfijning van zijn ideeën. Liefst vanonder zijn donsbed. Portret bij zijn afscheid als hoogleraar Grotestadsproblematiek.

Geruisloos promoveerde Paul Scheffer in januari van dit jaar op een Engelstalige bewerking van zijn boek Het land van aankomst. Geruisloos, maar niet probleemloos. Twee hoogleraren in de begeleidingscommissie twijfelden aan het wetenschappelijke gehalte van de dissertatie. Een van hen stapte zelfs uit de commissie; The Open Society and its Immigrants, zoals de aangepaste titel luidt, was volgens hem ‘van geen enkele kant wetenschappelijk’.

Het is zeker een onconventionele studie, eerder essayistisch dan academisch, gekenmerkt door een literaire aanpak met zinnetjes als ‘de impasse van de aanpassing’. Dat blijkt ook uit de woordspeling van de oorspronkelijke titel, een verwijzing naar Het land van herkomst, de befaamde autobiografische roman van Du Perron. Scheffer citeert afwisselend wetenschappelijke en literaire bronnen; voor hem is de wereld van de verbeelding duidelijk even waardevol als die van het onderzoek. Een essayistische benadering – aarzelend, voorwaardelijk, zoekend – lijkt hij te prefereren boven de opgelegde zekerheid van het academische betoog.

Het land van aankomst (2007) was de uitwerking en nuancering van zijn roemruchte artikel uit het begin van deze eeuw, ‘Het multiculturele drama’, dat bij publicatie veel opwinding genereerde. In retro-spectief blijkt het een mild getoonzet stuk dat voornamelijk brak met de Nederlandse gewoonte om conflicten toe te dekken en in eufemismen te bespreken. (Noem ‘probleemwijken’ voortaan ‘prachtwijken’ en de problemen zijn op slag verdwenen.) Scheffer signaleerde het gevaar van een nieuwe sociale tweedeling, en zijn advies was vooral afscheid te nemen van de kosmopolitische illusie waarin velen zich wentelden.

Zijn essay bevatte nog twee aanbevelingen. Eén: “Laten we eens beginnen de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis veel serieuzer te nemen.” Twee: “Waarom kent ons land geen museum voor contemporaine geschiedenis, zoiets als het ‘Haus der Geschichte’, dat in Duitsland veel belangstelling trekt?” Zoals dat gaat met een kluwen van ingewikkelde problemen, pikten politici er onmiddellijk het eenvoudigste uit. Nederland moest ook een ‘Nationaal Historisch Museum’ krijgen, een kamerbrede meerderheid was in 2005 zo gevonden en de benodigde miljoenen werden moeiteloos ter beschikking gesteld. Afgelopen zomer – het museum was nog niet gebouwd – werd het project even snel als het was opgekomen weer om zeep geholpen. De Nationale Identiteit had geen prioriteit meer.


Het land van aankomst was geen pamflet, maar een studie naar het immigratieprobleem – niet alleen in Nederland, maar ook in de Verenigde Staten en elders in Europa. De naoorlogse migratiegeschiedenis van Amsterdam werd vergeleken met die van Marseille, Hamburg, Antwerpen. In Nederland, schreef Scheffer, was het conflict lang vermeden, maar nu des te heviger. De toon van zijn betoog, die van de redelijkheid, stond haaks op die van het debat. “Waar zo lang is gezwegen, wordt nu veel en te luid gesproken.” Het boek was vooral een inventarisatie van de literatuur op het gebied van immigratie en integratie, zo breed van opzet dat eenieder daarin iets van zijn gading kon vinden, van links tot rechts.

Paul Scheffer (Nijmegen, 1954) woont aan de rand van De Pijp, wat in elk interview wel wordt aangestipt, niet er midden in. Zijn herenhuis staat met de rug naar de negentiende-eeuwse Amsterdamse volksbuurt, met het gezicht gericht op het gebouw van De Nederlandsche Bank. (Als de pot met goud, eeuwige belofte, aan het einde van de regenboog.) Snackbar Barbarella is om de hoek, een filiaal van Lidl in de straat en niet ver daar vandaan Hotel Linda, waarvan hij pas na jaren ontdekte dat het fungeert als asielzoekerscentrum. Paul Scheffer bewoont een symbolisch universum.

Na het verschijnen van ‘Het multiculturele drama’ in NRC Handelsblad van 29 januari 2000 kreeg hij honderden brieven, bezocht hij tientallen bijeenkomsten, hield hij lezingen en ging hij overal in debat. Het lijkt alsof hij de kwestie zelfstandig op de kaart zette, maar het was vooral een gelukkige maar onvoorziene timing. Een jaar later volgde de aanslag op de Twin Towers, twee jaar later de moord op Fortuyn. De enige theorie bij die praktijk was hier lang zijn ‘voorspellende’ essay (dat niets voorspelde). Scheffer hoefde zich het daarop volgende decennium met niets anders bezig te houden dan de herhaling en verfijning van zijn ideeën.


Toen hij in 2003 werd benoemd tot bijzonder hoogleraar Grootstedelijke Problematiek aan de Universiteit van Amsterdam, als opvolger van Geert Mak, kon hij zijn onderzoek gewoon voortzetten. Zijn oratie, Terug naar de tuinstad, vergeleek de situatie uit de jaren dertig met die van nu. Toen betrof het probleem het sociale vraagstuk van ‘de segregatie van de klassen en samenballing van armoede en achterstand in bepaalde wijken’, en nu is dat nog steeds zo, zij het dat die bevolking van aard en achtergrond is veranderd. Toen was het de Nederlandse onderklasse, nu zijn het de immigranten uit vooral Marokko en Turkije. Toen was het probleem de bevolkingsgroei, nu de verandering van samenstelling.

Het politieke bleek ook persoonlijk. Vader en grootvader waren allebei stedenbouwkundigen. Scheffer begon zijn oratie dan ook met zijn grootvader, Lou Scheffer, die onder Cornelis van Eesteren medeverantwoordelijk was voor het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1935, dat vorm gaf aan Amsterdam-West. Het cruciale verschil met de generatie van zijn grootvader is het groeiende geloof dat de samenleving niet langer maakbaar is. Het idealisme van toen is stukgelopen op de realiteit van nu. De draai die Scheffer hier aan de inmiddels vertrouwde problematiek geeft, is een autobiografische. Hij construeert een passende voorgeschiedenis. Zijn rol in het debat is niets minder dan een lotsbestemming, al formuleert hij dat minder beladen. “Een samenhang proberen te vinden in je biografie,” zei hij tegen Vrij Nederland, “is vaak niet meer dan van de nood een deugd maken.” Of, explicieter: “Ik heb het gevoel dat de schaduw van mijn familiegeschiedenis over me valt,” zei hij in Het Parool. “En ik zie er een opdracht in.”


Nadrukkelijk koestert hij zijn positie als buitenstaander. “Ik opereer,” zei hij in een interview met het universiteitsblad Folia, “op het grensvlak van wetenschap, politiek en journalistiek. Ik hoef me niet te houden aan de regels van de wetenschap, ook niet in beleidstermen te denken, zoals politici.” Het is onmiskenbaar waar, maar het kan niet verhullen dat Scheffer zich geleidelijk conformeert aan zijn positie. De puntigheid van de essayist wordt hier ingeruild voor de verplichte academische toon, de frisheid van de eigen kijk vervangen door het braaf in kaart brengen van bestaand onderzoek.

De Paulus de Boskabouter van vroeger, een ondeugende cherubijn, heeft de trekken aangenomen van een eerbiedwaardige denker met het zilvergrijze haar dat daarbij past. Een gearriveerde rebel. Jarenlang heeft hij gezocht naar een invulling van zijn leven, nu heeft hij die niet zozeer gevonden als wel in de schoot geworpen gekregen. “Het onderwerp heeft me destijds min of meer overvallen,” zei hij drie jaar geleden tegen de VARAgids. “Maar je moet je niet altijd afzetten tegen wat je overkomt, en dat heeft veroorzaakt dat ik het thema heb omarmd en nu al een jaar of acht dag en nacht niets anders heb gedaan dan hierover denken, schrijven en praten.”

Zoals het eerste college ging over de ene grootvader, zo gaat het laatste college over de andere grootvader. Het afscheid van Prof. dr. P.J. Scheffer als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam op 29 september is gewijd aan Herman Wolf, grootvader van moederszijde, die rond de eeuwwisseling van Keulen naar Amsterdam verhuisde. Als filosoof en letterkundige, vriend van Thomas Mann en Stefan Zweig, vertegenwoordigt hij die andere pijler onder Scheffers belangstelling, die voor de wereld van de ideeën. De werkelijkheid niet opgevat als een planmatige constructie, zoals voor Lou Scheffer, maar als een ideële verbeelding.


Paul de twijfelaar, werd hij onder vrienden genoemd, eeuwig besluiteloos, niet in staat om te kiezen. Dat begon al met zijn studie. Tussen 1972 en 1986 bezocht hij de universiteiten van Nijmegen, Amsterdam en Parijs. Hij studeert psychologie, daarna filosofie en is uiteindelijk afgestudeerd in de politieke wetenschappen. Zijn intellectuele universum is even eclectisch als zijn studie. Gevraagd naar zijn helden noemt hij zulke uiteenlopende figuren als de theoloog Edward Schillebeeckx, de Duitse schrijver Martin Walser, de Franse intellectueel Régis Debray, de Ierse dichter Seamus Heaney en de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama.

Van 1986 tot 1992 is hij werkzaam bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid. Vanaf 1990 schrijft hij voor NRC Handelsblad. Lang kan hij niet kiezen tussen politiek, wetenschap of journalistiek. In de jaren negentig overweegt hij zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer; in 2005 speelt hij met de gedachte aan het lijsttrekkerschap voor de PvdA. Telkens schrikt hij op het laatste moment terug voor de realiteit. Hij is geen man van de daad. Dat brengt hem in conflict met Ayaan Hirsi Ali, lange tijd een goede vriendin. “Je kiest altijd de veilige kant, de afstand,” citeert hij haar kritiek. “Stukken schrijven, college geven en maar kankeren op het parlement, onze meest vitale institutie die in verval is geraakt. Maar zelf echt iets doen, nee, aan de zijlijn staan roepen.”

Dat is niet altijd zo geweest. Afkomstig uit een verlicht liberaal milieu wordt hij op zijn achttiende lid van de CPN en is hij actief in de studentenbeweging, waar hij het brengt tot voorzitter van de Nijmeegse Studentenvakbond. Hij ervaart wat politiek is aan den lijve. “Het ging altijd over grote kwesties, zelden over eigen motieven.”


Met de CPN komt het al spoedig tot een breuk; partijdiscipline is aan hem niet besteed. “De linkse symbolen hebben voor mij eigenlijk altijd in het buitenland gelegen,” zegt hij tegen Vrij Nederland. “Het mediterrane communisme, daar werd ik door geïnspireerd.” Hij maakt voor de linkse uitgeverij SUN vertalingen van Louis Althusser, filosoof en partijlid, eigenzinnig exegeet van (de jonge) Marx. Hij haalt de Franse denker naar Nijmegen voor een lezing, die nodigt hem vervolgens uit zijn colleges in Parijs te komen volgen.

Althusser is zijn grote held van vroeger. Een gevaarlijk voorbeeld. In zijn postuum verschenen autobiografie bekent Althusser dat hij zijn filosofische kennis vooral ‘van horen zeggen’ had. Zijn marxisme was van eigen makelij, een knutselwerkje waarbij alles wat hem niet beviel bij Marx of wat hem niet uitkwam, werd geëlimineerd. Althusser stelde eerst een theorie op, vervolgens zocht hij de argumenten daarbij. Een verwijt dat ook Scheffer wordt gemaakt.

In zijn studie French Intellectual Nobility onderzoekt de Finse wetenschapper Niilo Kauppi hoe de naoorlogse transformatie van het Franse intellectuele leven tot stand kwam. Het was meer dan een vloed aan nieuwe denkbeelden, het was een greep naar de macht. De generatie traditionele academici moest het veld ruimen voor een generatie allerminst traditionele intellectuelen, en de sleutel tot die machtswisseling was ‘culturele roem’.

In de jaren vijftig, schrijft Kauppi, was het onacceptabel voor een intellectueel om een artikel te publiceren in France-Soir. In de jaren zestig was het laten uitgeven van academisch werk bij commerciële uitgeverijen niet langer ongebruikelijk. Uitgevers en journalisten begonnen oudere, elitaire definities van intellectuele aristocratie te ondermijnen door een soort culturele democratie te promoten. In de jaren zeventig konden befaamde filosofen als Gilles Deleuze en Michel Foucault in advertenties voor herenondergoed worden bewonderd. Advertenties voor per post te bestellen sieraden van Diamantissimo in de jaren tachtig maakten gebruik van afbeeldingen van Julia Kristeva en Philippe Sollers. De verhouding tussen intellectuelen en publiciteit was in twintig jaar radicaal veranderd, en die verandering werd in verband gebracht met specifieke structurele en morfologische transformaties. Publiciteit betekende voortaan geld en erkenning. Niet langer was een tijdrovende investering in de vorm noodzakelijk, zoals in het geval van academische arbeid. Kortom, de massamedia creëerden nieuwe modellen voor Franse intellectuelen. In deze nieuwe configuratie werd de nadruk gelegd op zekere sectoren van de academie, de literati, en journalisten en uitgevers, een verband dat later ook weer teloor is gegaan.


Althusser, Foucault, Barthes en Lacan werden bestsellerauteurs op een schaal die niet eerder had bestaan. Hun foto’s figureerden even prominent in kranten en tijdschriften als hun conflicten en ideeën. De intellectueel was de nieuwe ster, althans in Parijs vanaf de jaren zestig.

Die tegenstelling tussen ‘intellectuelen’ en ‘academici’ zal Scheffer hebben aangesproken, en er is geen twijfel aan waar hij stond. Toen hij nog jong was, fantaseerde hij al over een werkkamer. Een bastion vol boeken, zijn ‘eenmansstaat’, van waaruit hij de wereld van achter glas beschouwt. “Als zestienjarige,” zei hij tegen Folia, “droomde ik ervan om met mijn pen de wereld in te trekken, en daarvan te leven.” In Parijs zag hij dat het kon, een bestaan als intellectueel. Nodig: een rugzakje met de juiste bagage, een scherpgeslepen pen en een goed oog voor wat er speelt, voor het ‘discours’.

Massamedia-mandarijnen werd deze kaste gedoopt, even thuis op tv als in de krant, en liever aanwezig met oneliners in tijdschriften dan met een betoog achter de gesloten deuren van de academie. Openbaarheid, daar ging het over, na ’68.

Terug in Nederland was Scheffer lang zoekend. De krant? De politiek? Of toch maar de wetenschap? Er werd veel gepraat over boeken schrijven, minder aan geschreven. De paar die hij publiceerde (Het nu van Nederland, Een tevreden natie) waren niet de boeken waar verlangend naar werd uitgekeken. “Al die meesterwerken die hij zou gaan schrijven,” merkte uitgever Mai Spijkers spottend op, “maar die nooit zijn verschenen.” Hoewel hij her en der publiceerde, de redacties bemande van tv-programma’s die hij soms ook presenteerde, vond hij zijn bestemming pas bij NRC Handelsblad. Dankzij een riant contract verwerft hij zich daar een unieke positie. Hij heeft geen enkele verplichting jegens de krant, anders dan het leveren van één stuk per maand. Een think piece.


En dan verschijnt, in januari 2000, ‘Het multiculturele drama’ in de NRC, als een gongslag van de nieuwe tijd. “Ik heb de woorden gevonden voor wat anderen hebben ervaren,” zegt hij een paar maanden later in diezelfde krant. Alsof hij het zelf niet kan geloven. Een goudader geraakt!

Zijn woorden, andermans ervaring, dat is de rolverdeling. Lang voordat hij beide grootvaders vervlocht in zijn colleges was hij de vleesgeworden negentiende-eeuwse studeerkamergeleerde. De wereld was daarbuiten, en de waarnemer, de denker over die wereld, was binnen, los van die wereld, met Bach of Brahms op de cd. “Weet je wat ik echt verschrikkelijk vind?” zei hij tegen de Volkskrant. “Lekkages. Een lekkage heft het verschil tussen binnen en buiten op. De buitenwereld komt dan naar binnen.” Hij leek zich de reikwijdte van de metafoor niet bewust. Lekkage, dat is de multiculturele samenleving, die onvermijdelijk tot ieders comfortabele binnenwereld doordringt.

Paul Scheffer reist de laatste jaren van hot naar her. Een lezing hier, een toespraak daar, een debat elders. Even makkelijk spoort hij naar Kortrijk of vliegt hij naar Tel Aviv en Parijs. Zijn boek, Het land van aankomst, telt inmiddels dertien drukken (‘geactualiseerde editie’), meer dan dertigduizend exemplaren zijn in Nederland verkocht; het is in vertaling verschenen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland; de VS, Engeland, Denemarken en Polen volgen nog. Scheffer is een intellectueel geworden naar Frans model, geen academicus, al gaf hij de laatste jaren wel colleges. Een ongebonden denker en deelnemer aan het debat, niet gebonden aan partij of instituut. Een waardige nazaat van Herman Wolf, die zich voor de oorlog had beziggehouden met het conflict tussen de Romantiek en de Verlichting, zoals zijn kleinzoon nu weer. Lezen, denken en schrijven als levensvervulling. Balancerend op ‘het slappe koord’ tussen ‘het land van herkomst en het land van aankomst’, zoals grootvader vóór hem. Met dit verschil: voor Paul Scheffer is het geen doorleefde praktijk, geen ervaring, maar een mentale oefening, hersengymnastiek.


Alle obsessies kennen een vertrekpunt, een oorsprong gesitueerd in een beslissende ervaring, een oerscène volgens Freud, zij het niet noodzakelijk van seksuele aard. Voor Paul Scheffer moet die ergens in de jaren negentig liggen. Hij was nog zoekend naar een bestemming, naar de juiste jas die de zijne was. Veel tijd werd in gezelligheid doorgebracht, in het café of bij vrienden thuis. Een van zijn beste vrienden vertelde in 2007 in HP/De Tijd uitvoerig over zijn huis in De Pijp – niet in de periferie zoals dat van Scheffer nu, maar midden in het hart van de oude volkswijk – waar ook Scheffer onderdak had gevonden. Dat huis was een trefpunt voor vertier, veel bier en voetbalwedstrijden, veel discussies over literatuur en politiek. Een ogenschijnlijk perfect leven voor jongemannen die nog van alles willen, maar niet werkelijk wisten wat te doen.

In dat pand was de zolderverdieping verhuurd aan een Marokkaan. Die samenleving verliep niet van een leien dakje. Buurman werd werkloos, kwam regelmatig dronken thuis, zorgde voor overlast en weigerde de huur te betalen. Ook nadat hem de huur was opgezegd, weigerde hij te vertrekken. Hij was ongetwijfeld de neighbour from hell, zoals je die in fictie en in boze dromen kon treffen. Hij was ook een Marokkaan. Wat te doen? Is een burenconflict nu geen conflict, maar discriminatie? Is een Marokkaanse buurman in de eerste plaats een Marokkaan en dan pas een buurman, of andersom? Scheffer stond erbij en keek er naar. De kiem voor het multiculturele drama bleek een huiselijk drama. Dit was blijkbaar waar het over ging in de oude wijken. En zo stortte, zoals hij schreef (zonder de inspiratiebron te noemen) ‘het kaartenhuis van de multi-culturele samenleving’ ineen.


Vorig jaar werd Scheffer geïnterviewd door Stephan Sanders en Arie Boomsma voor hun bundel De man en zijn lichaam. Daarin gaat het niet alleen over de verhouding van de ondervraagde tot zijn eigen lichaam, maar impliciet ook over zijn symbolisch lichaam, zijn eerste bedekking: kleding, en het laatste pantser rond dat lichaam: het huis. Scheffer, niet verwonderlijk, laat zich hier kennen als een man die zich het best voelt in zijn cocon. Misschien niet echt een pantser, maar toch zeker een vorm van bescherming, iets dat tussen hem en de buitenwereld zit, een extra huid.

“Ik bekijk de wereld graag vanonder mijn donsbed… daar is het veilig,” zegt hij. “Wat was mijn leeropdracht ook weer? Grotestadsproblematiek, ja, ja. Maar ik koester dus een gezond wantrouwen jegens de publieke ruimte, en geniet van de veiligheid van het dekbed.” Dat wil zeggen: van de afstand, het comfort, de warmte, de afwezigheid van het werelds gewoel.

Het doet onweerstaanbaar denken aan een oude cartoon van Sempé. We zien de schrijver in zijn gecapitonneerde bibliotheek. Huisjasje aan, pen in de aanslag, papier voor zich. Hij schrijft: “Het regende. De man bevroor van honger en kou in deze grauwe en vijandelijke straat, waar de gemene en zelfvoldane burgers in behaaglijke warmte zijn gehuisvest.” Dan komt de huishoudster binnen met zijn lunch. De schrijver eet en drinkt. Na de lunch steekt hij een pijpje op en leest hij terug wat hij heeft geschreven. Dan pakt hij zijn pen en schrapt: ‘gemene en zelfvoldane’.

Ron Kaal