Flutonderzoek

De makke van modern sociaal-psychologisch onderzoek is de trivialiteit ervan.

De ontmaskering van wonderboy Diederik Stapel als fraudeur leidde terecht tot grote ophef, zowel onder wetenschappers als bij het mediaconsumerende publiek. Het verzinnen van onderzoeksresultaten is een regelrechte doodzonde, veel en veel erger dan plagiaat, waarbij tenminste nog de waarheid wordt overgeschreven. Begrijpelijk heeft René Diekstra zich kunnen rehabiliteren, terwijl Stapels carrière in de wetenschap voorgoed voorbij is. De hoogleraar zal zich op iets totaal anders moeten oriënteren.

De affaire zet ook de sociale psychologie zelf in een dubieus daglicht. Los van het bedrog wekte het onderzoek naar de relatie tussen vlees en egocentrisch (hufterig) gedrag irritatie, omdat de ideologie van de (vegetarisch angehauchte) onderzoekers er zo duidelijk in doorklonk. Vegetariërs zijn sociale, vredelievende mensen, vleeseters onbehouwen agressievelingen – dat was zo’n beetje de teneur, en nogal wiedes dat zo’n simplistische stelling tot protest en discussies over waardevrije wetenschap leidt. Maar het probleem zit niet zozeer in de vooringenomenheid van de onderzoekers of wat ze nu precies willen ontdekken. Een wetenschapper kan onderzoeken wat hij wil, al neemt-ie de relatie tussen kinderloosheid en op de PVV stemmen onder de loep. Het probleem, althans in de sociale psychologie, is de manier waarop hypotheses worden onderzocht.

Ik heb zelf sociale psychologie gestudeerd, omdat ik erg onder de indruk was van de experimenten waarin naar mijn idee interessante wetmatigheden over menselijk gedrag werden aangetoond. Het onderzoek van Solomon Asch naar conformisme binnen groepen, het onderzoek van Stanley Milgram naar gehoorzaamheid aan autoriteiten, het Stanford-onderzoek van Philip Zimbardo naar rollen spelen in de gevangenis (allemaal uit de jaren vijftig, zestig en zeventig) leverden onverwacht treffende inzichten op in de menselijke natuur. Geen inzichten die tot vrolijkheid stemden overigens, ook niet bij de proefpersonen die hadden deelgenomen aan de experimenten en geen idee hadden wat er nu eigenlijk werd onderzocht. Bedrog door de proefleider was een noodzakelijk ingrediënt van het klassieke sociaal-psychologische experiment, soms met traumatisering van de proefpersonen als gevolg.


De ethische commissies die eind jaren zeventig hun intrede deden aan de universiteiten maakten een eind aan de gewoonte onder sociaal-psychologen om proefpersonen zodanig een rad voor ogen te draaien dat ze er psychische schade van zouden kunnen ondervinden. Het was afgelopen met het theater, en sociaal-psychologen moesten omzien naar andere middelen om hun proefpersonen te manipuleren. Toen kregen we priming: een methode om proefpersonen onbewust in een bepaalde mentale richting te manoeuvreren.

De laatste 25 jaar wordt bijna al het onderzoek in de sociale psychologie door middel van priming gedaan, en dat levert behoorlijk oninteressante resultaten op. Als je bijvoorbeeld twee groepen proefpersonen een rijtje woorden laat leren, waarbij de ene groep woorden als ‘grijs, rollator, bingo’ voorgeschoteld krijgt en de andere groep neutrale woorden, dan lopen de proefpersonen uit de ouderdomsgeassocieerde groep significant langzamer de zaal uit dan de andere groep. Als je een beker warme koffie in de hand hebt, gedraag je je vriendelijker tegen onbekenden dan met een glas koude frisdrank.

‘Vrouwen die een modetijdschrift met slanke modellen erin doorbladeren worden daar chagrijnig van en ontevreden over zichzelf’ is nog zo’n voorbeeld van priming-onderzoek – toevallig een waar Stapel goede sier mee heeft gemaakt. Of dit soort resultaten nu eerlijk of frauduleus zijn verkregen, doet er eigenlijk niet eens toe. De makke van al het priming-onderzoek is de trivialiteit ervan: proefpersonen zien, horen, ruiken, voelen iets, al dan niet bewust, en vertonen een bepaalde reactie. Maar twee minuten later is het effect weer weg. Er wordt niets anders gemeten dan vluchtige stemmingen. Zonde van de moeite.

Meer leuke content? Like ons op Facebook