Madjesoomalops

Joshua Foer liet zich zo gek krijgen om mee te doen aan de Amerikaanse geheugenkampioenschappen – en won. Zijn boek over het onthouden van de gekste dingen is even geestig als erudiet.

Als kind had ik een tamelijk goed geheugen. Ik was in staat lange reeksen cijfers te onthouden, wat mijn moeder deed verklaren dat ik een fotografisch geheugen bezat. Ook toen ik ging schaken, had ik veel baat bij mijn geheugen. Maar op mijn tiende liep ik een zware hersenschudding op ten gevolge van een auto-ongeluk. Veertig jaar later zou ik een hersenbloeding krijgen, waarvan ik overigens herstelde. Misschien had die niets te maken met die eerdere hersenschudding, maar een goed geheugen heb ik allang niet meer. Ik kan nog wel moeiteloos allerlei herinneringen uit het verleden oproepen, compleet met de meest onwaarschijnlijk details, maar bij een partijtje Memory met mijn zoon maak ik geen enkele kans.

Met dat schaken is het trouwens niets geworden, maar dat schaken en geheugen iets met elkaar te maken hadden, wist ik al vroeg. Het vermogen om blind te spelen – dus zonder bord en stukken – wekt bij het grote publiek altijd veel verbazing en bewondering op, maar voor schakers is zoiets tamelijk normaal. Bijna iedere schaker van een beetje niveau kan twee blindpartijen tegelijkertijd spelen. Zelfs ik kan dat.

De geschiedenis telt nogal wat schakers met een geweldig geheugen. Over Magnus Carlsen, de twintigjarige Noor die voorbestemd is om wereldkampioen te worden, hebben zijn ouders verteld dat hij in staat was pagina’s lange schaakvarianten te reproduceren die hij maar één keer had gelezen. De grote Amerikaanse schaker Harry Nelson Pillsbury (1872-1906) kreeg eens het volgende lijstje woorden voorgelegd: antiphlogistine, periosteum, takadiastase, plasmon, ambrosia, Threlkeld, strepococcus, straphylococcus, micrococcus, plasmodium, Mississippi, Freiheit, Philadelphia, Cincinnati, athletics, no war, Etchenberg, American, Russian, philosophy, Piet Potgelter’s Rost, Salamagundi, Oomisellecootsi, Bangmanvate, Schlechter’s Nek, Manzinyama, theosophy, catechism en Madjesoomalops.


Rare woorden allemaal, waarvan ik Madjesoomalops altijd het raarst heb gevonden. Later heeft iemand ontdekt dat het een verbastering moet zijn van maatjesrolmops. Na de reeks een paar minuten bestudeerd te hebben, wist Pillsbury ze vlekkeloos te reproduceren, van voren naar achteren en van achter naar voren. De volgende dag kon hij dit nog eens moeiteloos herhalen.

De schaakwereld van toen, en niet alleen de schaakwereld, stond versteld. Maar tegenwoordig zijn geheugenwonders, of geheugenatleten zoals ze zichzelf noemen, tot het veelvoudige in staat.

Naar het geheugen en het denken van schakers is veel onderzoek gedaan, onder meer door de Nederlandse psycholoog A.D. de Groot, die er internationale roem mee heeft verworven. Veel van dat wetenschappelijke voorwerk vond ik terug in Het geheugenpaleis – De vergeten kunst van het onthouden van de jonge Amerikaanse schrijver Joshua Foer. (De oorspronkelijke titel luidt overigens: Moonwalking with Einstein, The Art and Science of Remembering Everything.) Maar veel van wat Foer inbrengt, is ook voor mij ook nieuw, en aangezien de auteur intussen een participerende journalistiek bedrijft, die even hartverwarmend als jaloers makend is, kan ik zijn boek alleen maar aanbevelen.

Foer is een gedreven schrijver met een voor zijn leeftijd – nog geen dertig – ongewoon ontwikkelde eruditie. Uiterlijk lijkt hij een beetje op André Rouvoet, maar anders dan bij de voorman van de ChristenUnie kom je bij Foer geen religieuze of spirituele ontboezemingen tegen. Foer is een man van de wetenschap, die daarbij ook nog eens houdt van competitie. Maar bovenal is hij een echte verteller. Het geheugenpaleis is geschreven omdat iemand hem zo gek kreeg mee te doen aan de Amerikaanse geheugenkampioenschappen. Foer wilde weleens de stelling verifiëren dat ieder normaal mens in staat is een pak van 52 willekeurig geschudde kaarten in de juiste volgorde te reproduceren.


Hij ging ervoor in training, en reeds een jaar later, in 2006, werd Foer geheugenkampioen van Amerika. Op het onderdeel kaartherinnering, het zogenaamde kaartsprinten, vestigde hij een nieuw Amerikaans: 1 minuut en 40 seconden. Toen hij aankondigde over zijn ervaringen als geheugenatleet een boek te gaan schrijven, vestigde hij nog een record. Hij werd bestormd door uitgevers en wist een voorschot van 1,2 miljoen dollar te bedingen, hoewel het zijn eerste boek zou zijn en er nog geen letter op papier stond.

Ongetwijfeld heeft bij de gretigheid van de uitgevers meegespeeld dat Foer uit een bekend Amerikaans geslacht van uitgevers en schrijvers komt. Zijn ene oudere broer, Franklin, werkt voor The New Republic, en zijn andere oudere broer, Jonathan Safran Foer, heeft onder meer de bestseller Everything Is Illuminated op zijn naam staan.

Hoe het met u zit, weet ik niet, maar ik ben nog opgevoed met de gedachte dat het dom is iets in je hoofd te stampen. Het zelfstandig nadenken zou niet gestimuleerd worden door rijtjes uit je hoofd te leren. In Het geheugenpaleis laat Foer echter zien dat de scheiding tussen denken en herinneren niet zo duidelijk is. In veel gevallen werkt het geheugen juist uitzonderlijk creatief en krijgen de ezelsbruggetjes de vorm van enorme architectonische bouwwerken. Vandaar de titel Het geheugenpaleis.

Wie zijn geheugen wil trainen, moet wat onthouden dient te worden zo concreet mogelijk verinnerlijken. Wil je een boodschappenlijstje onthouden – altijd weg als je het nodig hebt – dan leert de praktijk dat je je het best een huis kunt voorstellen en dan al je boodschappen op herkenbare plaatsen in huis neerzetten.


Deze strategie is al beschreven door de Russische psycholoog A.R. Luria. Hij onderzocht in 1928 een man die over het vermogen beschikte om in zijn geheugen een straat af te lopen en precies te beschrijven welke woningen daar stonden. Luria noemde hem de mnemonist. Inmiddels weten we dat er mnemonisten zijn in allerlei soorten en maten. Zo zijn er mensen die een buitengewoon geheugen ontwikkelen door een hersenbeschadiging of door een traumatische ervaring. Zij ontkennen meestal dat zij bepaalde strategieën gebruiken. Deze groep wordt ernstig gewantrouwd door de geheugenatleten, die voortdurend in training zijn om nog betere prestaties te leveren.

Tegen de achtergrond van zijn eigen training voor de kampioenschappen beschrijft Foer deze richtingenstrijd met veel humor. De geheugenatleten vormen een vrijgevochten gemeenschap, die grote overeenkomst vertoont met de schaakwereld. Aan de ene kant is er een sterke neiging om te drinken en te blowen, aan de andere kant wordt terdege beseft dat deze gewoonten een nadelige invloed hebben op de prestaties.

Foer brengt een ode aan het geheugen, dat na de uitvinding van de boekdrukkunst in het ongerede is geraakt. Ineens was het niet meer nodig een heel boek uit je hoofd te leren. Wat je even niet meer wist, kon je vanaf die tijd gewoon opzoeken. Zo werd de menselijke kennis uitgebreid, maar het maakte ook lui.

Tegen die luiheid is Joshua Foer in het geweer gekomen, maar ondanks zijn lofzang heb ik niet de indruk dat hij ooit nog zal deelnemen aan een geheugenkampioenschap.

Joshua Foer: ‘Het geheugenpaleis’. Vertaling: Janneke Zwart. De Bezige Bij, €19,90. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Meer leuke content? Like ons op Facebook