Nergens thuis

Een gelukkig einde zit er niet in bij Richard Yates, de Amerikaanse chroniqeur van de verloren dromen. Die beschrijft hij met een hartverscheurende wrange humor.

Tobias Wolff stelde in de jaren tachtig een bundel samen met verhalen van collega-auteurs. Er was ook een voorleesavond georganiseerd. Wolff beschreef de avond later in een interview. Hijzelf zou niet optreden, drie andere schrijvers wel. Richard Yates zou de avond afsluiten. Wolff praatte vooraf wat met de schrijvers en probeerde te praten met Yates, maar die was stomdronken. Zijn deftige jasje zat onder de sigarettengaten en bij de tweede voordracht viel hij in slaap. Op de eerste rij.

Het verhaal dat hij zou voordragen was niet simpel, ook niet erg kort, en het bevatte lange, meanderende zinnen. Yates droeg het foutloos voor, zonder ook maar één komma te missen. Toen hij, na een daverend applaus, het podium afkwam, was hij weer dronken.

Nou heeft Tobias Wolff een reputatie als het om fabuleren gaat, en het is nooit verstandig om schrijvers op hun woord te geloven, maar de anekdote over Yates komt aardig overeen met het beeld uit interviews en portretten: de treurige, drankzuchtige maar zeldzaam professionele en toegewijde schrijver – of hij nou werd gelezen of niet.

Het grootste deel van zijn carrière werd hij niet gelezen. Hoogstens door een paar andere schrijvers – obscure namen. Ene John Updike, of een zekere Kurt Vonnegut. Een hele reeks beduidend succesvollere collega’s plaatste Yates op een voetstuk.

Drie jaar geleden kwam de verfilming van Revolutionary Road uit, zijn eerste en bekendste roman, uit 1961. Yates’ werk stond opeens weer in de belangstelling van het grote publiek – meer dan tien jaar na zijn dood.


In Nederland had de Arbeiderspers al ruim voor die tweede doorbraak het lef om Yates’ korte verhalen en een roman te laten verschijnen, vertaald door Marijke Emeis. Recent is daar Een speciaal soort voorzienigheid bij gekomen, Yates’ tweede roman, wederom in een soepele vertaling van Emeis.

Hoofdpersonen in Een speciaal soort voorzienigheid zijn Alice en Robert Prentice, moeder en zoon, twee koppige losers die, zoals veel koppige losers, dromen van grote successen. Er wordt vaak over Yates’ werk gezegd dat het de schaduwkanten, of zelfs de rampzalige gevolgen, van de American dream afbeeldt, maar dat is niet helemaal waar. De personages mogen dan Amerikaans zijn, hun dromen zijn universeel. Iedereen die weleens aan een betere positie of een gemakkelijker leven heeft gedacht, zal zich herkennen in hun even hardnekkige als onrealistische verwachtingen.

Alice ziet zichzelf als grote kunstenares. Helaas is zij zo ongeveer de enige. Ze weigert concessies te doen en maakt keer op keer slechte keuzes, waardoor de vlucht voor schuldeisers de enige constante in haar leven is. De arme Robert, toch al geen hoogvlieger, al denkt hij daar zelf heimelijk anders over, is het slachtoffer van Alice’s ambities. Nooit de kans om zich ergens thuis te voelen, nooit de kans om zichzelf te ontwikkelen. Hij kan niet anders dan mislukken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt hij, na een veel te korte trainingsperiode, naar Europa getransporteerd. Hij fantaseert regelmatig over heldhaftige ingrepen, maar uiteindelijk is hij al trots op zichzelf als hij weer een dag heeft overleefd zonder in slaap te vallen tijdens een belegering.

Yates wisselt de hoofdstukken over de oorlog af met hoofdstukken over Alice, over haar eerdere leven met Robert, en over de manier waarop ze zich door het leven slaat zonder haar zoon – elke vrije minuut brengt ze door met een glas whisky binnen handbereik.


Hoe hopeloos de situatie ook wordt, en hoe onuitstaanbaar zijn hoofdpersonen af en toe ook zijn, je voelt vooral medelijden met ze. Yates is somber maar niet bitter, genadeloos maar niet cynisch. De optimistische stukken zijn de pijnlijkste, omdat je constant aanvoelt dat, hoe goed het op dat moment ook lijkt te gaan, er meer ellende in het verschiet ligt.

Een gelukkig einde, of zelfs maar een beetje comic relief, zit er niet in. Niet dat Yates humorloos is. Zeker niet. Maar het is humor van het wrange soort – Yates is grappig op een intens treurige manier. Zoals hier: “De ene avond na de andere werd gewijd aan (Alice’s) gebabbel over contacten die ze nu echt binnenkort in de modewereld zou leggen en de kapitalen die ze ook nu met eenmanstentoonstellingen zou verdienen als ze haar beeldhouwwerk maar uit de opslag kon halen, terwijl het eten uit blik op het fornuis aanbrandde.”

Het is een zin die Yates’ stijl perfect typeert: eenvoudig, nuchter, met veel oog voor het treurige detail. Alice laat niet zomaar het eten aanbranden, dat was al lullig geweest, maar nee: ze laat eten uit blik aanbranden. Yates schetst in één zin de droom en de enorme, hartverscheurende afstand tot die droom. In vrijwel elke alinea weet hij dat contrast voelbaar te maken.

Revolutionary Road blijft zijn indrukwekkendste roman – maar dat zegt meer over de kwaliteit van zijn debuut dan over de rest van zijn oeuvre. In elk ander oeuvre was Een speciaal soort voorzienigheid een hoogtepunt geweest.

Richard Yates: Een speciaal soort voorzienigheid. Vertaling: Marijke Emeis. De Arbeiderspers, €27,50. Ook via ako.nl.

Dries Muus