Jonge creatieven kunnen álles!

Een beetje twintiger van nu heeft tenminste een modeblog en een toneelgroep, heeft een expositie in een galerie gehad, natuurlijk zijn eigen band en publiceert zijn foto’s in verschillende glossy’s. En als het even meezit, komt vóór zijn dertigste zijn debuutroman uit.

Is dat nieuw, jonge mensen in de schijnwerpers? Neuh, die waren er altijd al. Wat wel nieuw is, is dat elke jongere het ambieert en er nota bene van overtuigd is dat hij of zij goed genoeg is en dat het niet zo moeilijk is om er ook daadwerkelijk terecht te komen. Welke twintiger is nu níet bezig met een boek? De mogelijkheden zijn oneindig en de twintigers van nu kunnen alles – vinden ze zelf. Hier en daar schrijft een kritische recensent van een of andere kwaliteitskrant daar een snerende recensie over, maar daarbij staat niemand lang stil. Deze nieuwe creatievelingen gaan hun gang en zijn altijd enthousiast genoeg om weer aan een volgend kunstzinnig project te beginnen, ongeacht wat mensen ervan vinden. Ze zijn niet bang voor instituten of uitgeverijen, van het onderscheid tussen hoge en lage kunst hebben ze nooit benul gehad. Ze geloven niet in grenzen omdat ze die nauwelijks tegenkomen. Via het internet verspreiden hun schrijfsels en projecten zich al voordat ze goed en wel een studie hebben afgerond – of daar zelfs maar aan begonnen zijn.

Literair agent Paul Sebes gelooft dat deze trend gedeeltelijk is ontstaan doordat er tegenwoordig meer hoger opgeleiden zijn: “Toen ik jong was, of zelfs nog daarvoor, dachten mensen nog dat je echt literatuur moest kunnen schrijven voor een boek. Mensen keken tegen literatuur op, zoals ze tegen een arts of notaris opkeken.” Een halve eeuw geleden had nog geen vijf procent van de beroepsbevolking een hbo-diploma of hoger op zak. Inmiddels is dat volgens cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau ongeveer 35 procent.

Sebes: “Tegenwoordig is een boek is niet meer heilig: mensen hebben er schijt aan. Hetzelfde geldt voor film. Jongeren zoeken het even uit, ze filmen wat, ze schrijven wat. Het gebruik van computers en internet speelt een grote rol. Iedereen kan zijn schrijfsels kwijt op netwerksites en op blogs. En iedereen kan filmen met zijn telefoon en daarna zelf monteren op de computer. Dankzij de technologie kunnen we van alles uitproberen en flink oefenen. En daarna kijken: kan ik mijn beroep ervan maken, ja of nee? Ik denk dat de generatie twintigers van nu minder onzeker is. Jonge mensen ‘proberen’ een boek. Als het lukt: leuk! Als het niet lukt, gaan ze iets anders doen. Onze kinderen groeien op met het idee dat ze leven in een land met oneindige mogelijkheden.” Aldus ontstaat een gebrek aan respect voor de leraar: een vak hoeft niet geleerd te worden, iedereen kán alles al. Het motto lijkt: zo snel mogelijk zo veel mogelijk creëren. Als de toneelgroep flopt, het bandje uit elkaar valt voordat het goed en wel doorgebroken is of de roman niet verkoopt, is dat geen probleem. Dan wordt er gekeken naar de volgende mogelijke creatieve uiting, studie, reis of iets anders. Het gaat ook niet om geld, want bijbaantjes zijn gemeengoed. Sebes: “De meeste jonge auteurs die ik ken, hebben er een baantje bij. ’s Nachts zijn ze portier, overdag schrijven ze. Dat past ook bij deze tijd. Er zijn nog nooit zo veel mensen geweest zonder vaste baan. Ik geloof dat veertig procent van de Amsterdammers freelance werkt.”

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

pauline bijster