Kunst op de plank

Na haar biografie over Sartre schreef Annie Cohen-Solal er een over Leo Castelli, galeriehouder en groot emancipator van de Amerikaanse na-oorlogse kunst. Een ideeënman was hij niet; eerder een handelaar.

Lang had ik niet meer van haar gehoord, maar ineens kwam ik haar naam weer tegen in de boekhandel: Annie Cohen-Solal!

In 1988 was ze in Nederland en bracht ze met haar verschijning de intellectuele elite het hoofd op hol. ‘Een wonderlijke combinatie van schoonheid en hersens’ werd ze genoemd. Ze maakte helemaal furore toen ze op de televisie Adriaan van Dis in alle talen en in alle charmes verpletterend versloeg. Uitgevers, journalisten en filosofen vochten erom haar tafelheer te zijn; een gemeenteambtenaar meende een verhouding met haar te hebben.

Annie Cohen-Solal was destijds in Amsterdam om haar vuistdikke biografie van Sartre (610 pagina’s) te presenteren. In een mum van tijd werden er van de vertaling tienduizend verkocht, wat Adriaan van Dis later deed verklaren dat deze biografie ‘het minst gelezen boek is uit de Nederlandse boekenkast’.

Of dat waar is, betwijfel ik, want nog steeds is Jean-Paul Sartre – Zijn biografie een uiterst leesbaar boek. Sartre wordt niet alleen neergezet als een belangrijk filosoof, maar ook als aandoenlijk figuur met een niet gering aantal menselijke tekortkomingen. Je zou kunnen zeggen dat met de biografie van Annie Cohen-Solal de afkalving van de Sartre-mythe is begonnen.

Na haar indrukwekkende bliksembezoek raakte Cohen-Solal enigszins in de vergetelheid, althans in Nederland. Frans is nu eenmaal geen verplicht vak meer, dan krijg je dat. In werkelijkheid reisde ze de wereld rond en bekleedde ze zo veel leerstoelen dat menig professor jaloers op haar zal zijn. In 2009 ontving ze de Légion d’Honneur, de hoogste Franse staatsonderscheiding.


Ook was Cohen-Solal enige tijd cultureel attaché in New York, in welke hoedanigheid zij het onderwerp van haar nieuwe biografie leerde kennen. Leo Castelli en zijn kunstenaarskring in New York heet haar nieuwe boek, dat in het Engels de eenvoudige titel Leo & His Circle draagt. Dat is misschien ook het verschil: waar Nederland bij ‘Leo en zijn cirkel’ denkt aan voetbaltrainer Leo Beenhakker of muziekkenner Leo Blokhuis, is het voor Amerikanen meteen duidelijk dat het om Leo Castelli gaat: de befaamde galeriehouder bij wie Pollock, De Kooning, Jasper Johns, Warhol, Lichtenstein, Stella, Judd en Nauman groot werden – om maar een paar illustere namen te noemen. Het is Castelli (1907-1999) geweest die de Amerikaanse beeldende kunst op de kaart heeft gezet. De Castelli Gallery te Soho (NY) toonde de eerste schilderijen die waren verbonden aan stromingen als abstract expressionisme, pop-art, minimal art en conceptual art.

Laat ik vooropstellen dat deze biografie zonder meer leesbaar is, maar dat zij het niet haalt bij die van Sartre. Sartre is, ondanks alles, toch een veel interessantere figuur dan Castelli. Sartre was een denker, een filosoof, een schrijver, iemand bovendien met een liefdesleven dat maar weinig mensen is gegeven.

Castelli daarentegen is veel minder een oorspronkelijk denker. Hij had een fijne intuïtie, zag dingen die anderen niet zagen of niet wilden zien, maar in de kern was hij een waarnemer, een navolger en uiteindelijk ook een handelaar. Sartre wilde meningen overbrengen, hij wilde getuigen, maar behalve een paar onnozele Mao-blaadjes wilde hij niets verkopen. Bij Castelli ging het – hoe je het ook wendt of keert – om het maken van omzet. Hoe belangrijk het ook was dat pop-art als serieuze kunststroming werd geaccepteerd en hoe handig Castelli bij het lanceren van zijn kunstenaars ook te werk ging: er moest uiteindelijk brood op de plank komen – voor degenen die hij vertegenwoordigde en voor hemzelf.


Dit in aanmerking genomen is de biografie van Castelli nogal wijdlopig. Bij Sartre ben je steeds geneigd de auteur toe te roepen: ga door! Terwijl je bij Castelli soms genoeg krijgt van al die uitvoerige levensbeschrijvingen. Het duurde dan ook een tijdje eer de figuur Castelli voor mij tot leven kwam. Al meteen in haar inleiding schrijft Cohen-Solal dat ze Castelli, die uit een Italiaans-Roemeens-Oostenrijkse bankiersfamilie stamt, wil verklaren vanuit de geschiedenis van het Europese jodendom. Zij slaagt daar ongetwijfeld in, maar heel wat lezers zullen onderweg afhaken.

Castelli’s voorgeschiedenis is zonder meer van belang: zonder de vlucht van zijn familie voor de Holocaust is zijn carrière niet goed te begrijpen. Maar aan de andere kant geldt voor Castelli, meer dan voor wie ook, dat zijn leven begon bij veertig. Toen kwam hij in New York terecht en vond hij zijn levensbestemming door zijn eruditie én zijn handelsgeest ten dienste te stellen van de kunst.

Amerikaanse kunstenaars waren in de naoorlogse jaren niet erg in trek bij het eigen publiek. Amerikaanse conservatoren kochten in Europa het liefst Matisse, Magritte, Klee en Dufy. Langzaam wist Castelli de Amerikanen ervan te overtuigen dat Amerika niet alleen het machtscentrum van de wereld was, maar dat New York dé plek was waar je moest zijn voor moderne kunst.

Dat ging uiteraard niet zonder slag of stoot, want het ontbrak culturele instellingen in de VS aan zelfvertrouwen en Europa keek neer op pop-art. Maar Castelli bouwde in de loop der jaren een groot netwerk van getrouwen op, waarin het Stedelijk Museum in Amsterdam een niet onbelangrijke schakel was.


Het keerpunt kwam in 1964, toen Castelli – niet zonder gekonkel – erin slaagde Roy Lichtenstein de Biënnale van Venetië te laten winnen. De Oude Wereld reageerde geschokt – zowel op de verkiezing als op de machinaties die eraan voorafgingen. Zelf zei Castelli laconiek: “Alles is politiek. Als je in de politiek gekozen wilt worden, dan is dat geen eenvoudige zaak. Je hebt te maken met stromingen, onderhuidse spanningen, manipulaties, enzovoort. De prijzen op de Biënnale gehoorzamen aan dezelfde wetten als een politieke verkiezing.” Dat is goed te weten, want binnenkort wordt de Biënnale weer gehouden.

Sindsdien is de moderne beeldende kunst voorgoed veranderd. De prijzen van de pop-artkunstenaars schoten omhoog, niet in de laatste plaats omdat Castelli een uiterst slim maar ook een uiterst elegant spel speelde met zijn klanten. Altijd suggereerde hij zijn potentiële kopers dat zij op een wachtlijst werden geplaatst, terwijl die in werkelijkheid niet bestond.

Cohen-Solal vertelt Castelli’s levensverhaal bijna in de vorm van een hagiografie, zodat te vrezen valt dat er weer een werk ongelezen in de Nederlandse boekenkasten zal belanden. Over Castelli’s privéleven, dat toch behoorlijk onstuimig moet zijn geweest, blijft ze – anders dan bij Sartre – enigszins vaag. Dat is jammer. Behoorde zij misschien zelf tot zijn entourage?

Annie Cohen-Solal: ‘Leo Castelli en zijn kunstenaarskring in New York.’ Vertaling: Peter Diderich en Inge Kok. Contact, €39,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.