Lessen in verleiding

‘Maar hoe moet ik het dan aanpakken?’ Iedereen wiens beste vriend of vriendin op liefdespad gaat, krijgt deze vraag weleens te horen. Zo moet je je opeens van belangeloze compagnon ontpoppen tot raadgever in de liefde, van wiens oordeel veel verwacht wordt.

Gelukkig bieden de klassieke letteren uitkomst. Aan het begin van onze jaartelling schreef de dichter Ovidius Ars Amatoria, ofwel Lessen in liefde, waarin zowel mannen als vrouwen tips krijgen over versieren, verleiden, veroveren – en weer over de hartpijn heen komen.

Ovidius’ lessen zijn hilarisch, maar de maatschappelijke verhoudingen zijn toch íets veranderd. Gearrangeerde huwelijken zijn (enkele subculturen daargelaten) niet meer bon ton. We hoeven geen kamermeisjes om te kopen zodat ze in hun beha geheime briefjes voor je meesmokkelen. En een hele nacht op je knieën voor de voordeur van je geliefde liggen smeken is voor een Romein misschien het ideaal van romantiek, tegenwoordig heb je meer kans dat de buren de politie bellen.

De vraag is dus: hoe kun je iemand het best verleiden?

“Ik heb weleens horen zeggen dat de beste manier om een lezer een verhaal in te trekken nog altijd het standaardbegin van het sprookje is: ‘Er was eens…’ Zo verleid je iemand om verder te lezen. In de liefdespoëzie of een liefdesbrief werkt het anders. Het is belangrijk dat je je tot de geliefde richt: in de jij- of u-vorm, of – in Vlaanderen – gij. Je moet belangstelling tonen en de ander duidelijk maken dat je hem of haar mooi en lief vindt. De aangesprokene moet zich een uniek persoon voelen met eigenschappen die de schrijver in vuur en vlam zetten. Zo werkt het ook in de reclame: je wordt verleid door de illusie dat je, als jij zelf die kleren aantrekt of die make-up op doet, net zo begeerlijk wordt als de modellen.

“Literaire verleiding zit ook in zaken als ritme en herhaling. Een liefdesgedicht van Constantijn Huygens voor zijn ‘Sterre’ opent met: “Mijn lief, mijn lief, mijn lief…” De verlangende herhaling vleit de aangesprokene. Spreektaal kan het ook goed doen: “Zie je ik hou van je / ik vin je zoo lief en zoo licht…” van Herman Gorter.


Het toespreken en lieve dingen zeggen werkt ook goed in het dagelijks leven. Maar ook verleidingstechnieken als je mooi aankleden zijn nuttig, zowel voor de verbaal als de minder verbaal begaafden.”

“Als je in een kroeg of disco staat en je wilt iemand verleiden, zijn drie dingen van belang. Ten eerste moet je laten merken dat je er bent. Dat doen mensen automatisch: ze gaan harder praten of lachen en wildere bewegingen maken. Waarschijnlijk gebeurt dit veelal onbewust. Ten tweede moet je laten merken dat je de ander interessant vindt. Je moet oogcontact zoeken – maar ook dat gaat idealiter op een subtiele manier. Het verbale gedeelte is in dit stadium nogal overrated: zogenaamd grappige openingszinnen zijn niet nodig en werken vaak averechts. De meest succesvolle opening is ‘hallo’.

“In de derde plaats moet je toenadering zoeken. Je voert een gesprek en let op de signalen die de ander uitzendt. Als vrouwen iemand leuk vinden, gaan ze vaak lachen, hun hoofd wat schuin houden en de ander kort aanraken. Dat zijn waardevolle signalen voor een man. Als ze hem niet leuk vindt, doet ze dat namelijk totaal niet. En als een man die signalen niet oppakt en door blijft praten, wordt hij irritant.

“Als mensen elkaar interessant vinden, gaan ze elkaar onbewust imiteren. Bijvoorbeeld beiden hun hoofd naar links houden of door hun haren strijken. Het brengt een cirkel van wederzijdse affectie op gang: je bent eerder geneigd om mensen die je leuk vindt te imiteren; omgekeerd vind je mensen die jouw gedrag kopiëren ook aardiger.

“Dit soort gedragingen komt ook voor in de dierenwereld – denk aan een pauw die zijn veren laat zien – maar de mens is meer dan wat de evolutie van ons maakte. Je bent niet alleen man of vrouw, maar ook dat wat je gelooft, vindt en wat je beroep is. Als je je dus niet prettig voelt bij bepaalde gedragingen, kun je een andere common ground zoeken.”


“In de Griekse filosofie vind je weinig over verleiding tussen gewone jongens en meisjes: die kregen nauwelijks de kans om elkaar te verleiden. Meisjes werden jong uitgehuwelijkt en mochten niet zonder begeleiding de straat op. Op vaasafbeeldingen zie je wel mannen en vrouwen die elkaar verleiden, maar dat zijn bijna altijd gezelschapsdames. Zij verleidden mannen lichamelijk, maar ook door instrumenten te bespelen, te zingen of poëzie voor te dragen. Het waren doorgaans ontwikkelde vrouwen met wie mannen naast hun huwelijk wel een min of meer gelijkwaardige relatie konden aangaan.

“Er zijn veel meer afbeeldingen over homo-erotiek. Een oudere man had vaak een takje, bloem of appel bij zich om aan te geven dat hij op liefdespad was. Die moest hij naar de jongeman gooien die hij wilde verleiden. Als die het oppakte, was dat een teken van interesse. Ook hadden mannen vaak geschenken bij zich om een jongen te verleiden, zoals een haan, een konijn of een sportuitrusting.

“Plato heeft over verleiding geschreven aan de hand van de figuur van Sokrates. Sokrates is iemand die duidelijk geïnteresseerd is in jongens. Hij confronteert hen met hun onwetendheid en voert lange discussies om hen intellectueel op de knieën te krijgen. Zo maakt hij een jongen afhankelijk van hem, omdat die nu elke dag met Sokrates wil praten in de hoop wijzer van hem te worden. De filosofie is bij Sokrates dus tevens een verleidingsmiddel. Een jongen mocht zich seksueel overgeven aan een oudere man wanneer die hem iets terug zou geven, bijvoorbeeld kennis. Maar Sokrates weigert de liefde te consumeren: voor hem is de filosofische verleiding voldoende.”

Isabelle Buhre