Mijn generatie

‘Het lijkt me zo’n opluchting om op een feestje te komen waar niemand ooit een gedicht heeft geschreven,” zei een vriend, die zelf ook gedichten schreef. “Heb jij dat weleens meegemaakt, de laatste jaren?”

“Nee.”

Het gerucht ging dat er vanavond iemand was die niet aan een roman werkte. Of aan een film. En hij had ook geen kunstzinnige opleiding gevolgd. Die jongen stond nu voor ons. Hij had zich vorige week ingeschreven voor een cursus fotografie.

“Hij wil ook iets met kunst doen,” zei een gemeenschappelijke kennis, ter introductie, en waarschijnlijk ook ter geruststelling. De jongen, A., knikte en ging een rondje halen. De gemeenschappelijke kennis zat in een bandje en maakte video art.

“A. is de enige van de vriendengroep die niks met kunst doet,” zei de video artist, nadat hij even controleerde of A. buiten gehoorsafstand was. “Het werd een beetje gnant.”

De muziek stond niet hard, we konden gewoon praten. A. wurmde zich langs een groepje met een beginnende schrijver, een columnist, een blogger en een recensent. De columnist, de blogger en de recensent werkten allemaal aan hun eerste boek. Eerder op de avond zei de blogger: “Ik vind het leuk om te doen, en ik had goede contacten bij de uitgeverij, dus ik dacht: waarom niet?” Er werd geknikt en geproost. Een boek schrijven was iets wat je een keer gedaan moest hebben. Als een parachutesprong, of een paar maanden backpacken door Azië – wat de meeste mensen hier ook weleens hadden gedaan. Veel van hun stukken gingen erover. Het verschil met de westerse wereld. Buiktyfus in India. Het was een ervaring. Het plaatste alles in perspectief.

A. schudde wat handen en liep richting koelkast. De columnist, de blogger en de recensent hadden het over literatuur. Dat wil zeggen, over goede locaties voor boekpresentaties, over voorschotten en over hun redacteuren.


“Wie heb jij?” vroegen ze elkaar.

Die ken ik alleen van naam, klonk het. Uit het wereldje. Een verhalenschrijfster zei: “Mijn redacteur is lief.”

Sommige aankomende debutanten hadden ook een agent. De blogger had er twee. De blogger had meer agenten dan romanpagina’s. Als een bandje waarvan de leden meer tijd besteden aan het bedenken van een naam dan aan repeteren. De blogger hield een blog bij over blogs. Dat slokte al zijn tijd op.

De beginnende schrijver was al een paar jaar bezig aan zijn eerste roman. Een paar jaar terug was hij gedebuteerd met een verhalenbundel. Binnen het groepje gold hij als de serieuze schrijver, omdat hij nooit iets schreef. Als mensen hem ernaar vroegen, zei hij dat hij het niet over zijn roman wilde hebben. Daarna praatte hij altijd over zijn roman.

“Soms schrijf ik twintig woorden per dag,” zei hij. “En dan haal ik ze aan het eind van de dag weer weg.”

Mensen om hen heen knikten, zichtbaar onder de indruk.

“Ik ga zitten en schrijven,” zei de verhalenschrijfster. “Gewoon zitten en schrijven. Ik loop helemaal leeg. De volgende dag zie ik wel of het iets is.”

“Dat is de beste manier,” zeiden een paar mensen.

De serieuze schrijver zuchtte.

A. kwam terug met een paar flesjes bier. Eén te veel, die gaf hij aan de gastvrouw. De gastvrouw schreef stukken over restaurantjes en ze organiseerde culturele avondjes, waar vaak dezelfde artiesten optraden, ongeacht het thema. A. was de enige die de gastvrouw een cadeau had gegeven duurder dan vijf euro. Veel mensen hadden niks, ze zeiden iets als: “Ik heb niks voor je meegenomen, ik neem je wel een keer mee uit eten. Ik kan je wel weer een stom cadeau geven, maar daar heb je ook niks aan.”


Ze namen haar nooit mee uit eten. Ik had haar een lunch beloofd, als ik weer geld had. Dat was een veilige belofte.

De gesprekken over geld waren nu wel over, dat was meer iets voor het begin van de avond. Dan ging het over de Kamer van Koophandel, over onbevredigende klussen, over de voordelen van een accountant. Bijna iedereen van de aanwezigen was freelancer. Niemand van de aanwezigen had geld. Wel Ray-Bans, MacBooks en iPhones. De meesten gingen minstens één keer per jaar naar Berlijn. Om te schrijven.

“Ik dacht er ook over om een paar maanden naar Berlijn te gaan,” zei een vriend een keer. “Even weg uit Amsterdam. Maar in Berlijn kom ik waarschijnlijk meer bekenden tegen dan in Amsterdam.”

Het feestje ging door tot in de ochtend. Het was niet echt leuk, maar naar huis gaan ook niet. En er kon altijd nog iets gebeuren. Bijna iedereen van de generatie aankomende schrijvers schreef over hun generatie. Grote kans dat deze avond over een half jaar in vier verschillende generatieromans voorkwam. Maar dan met meer drugs, drank en excessen.

A. maakte foto’s van de overgebleven gasten. Hij lag op zijn rug. Dan leek alles groter.

Dries Muus