Negeren!

We hebben ons met het boerkaverbod door provocateurs in de val laten lokken. De Damschreeuwer, de man die tijdens de Dodenherdenking van vorig jaar plotseling begon te schreeuwen en daarmee paniek veroorzaakte, wenst niet over één kam te worden geschoren met de waxinelichthoudergooier en ook niet met de Concertgebouwterrorist. In tegenstelling tot deze twee ordeverstoorders vindt hij zichzelf niet verward. Hij maakte slechts gebruik van de vrijheid van meningsuiting. “Als ik niet mag schreeuwen, dan kunnen we 5 mei ook wel afschaffen. We leven in een vrij land,” zei hij tegen de Volkskrant.

Het leerstuk van de vrije meningsuiting, een van de pijlers van de Rechten van de Mens, gaat over de vrijheid om ideeën te verkondigen, hoe absurd of verachtelijk die ideeën ook mogen zijn. Wat niet betekent dat elke denkbare menselijke expressie gelegitimeerd kan worden met een hoogdravend beroep op de vrijheid van meningsuiting. Geen enkele vrijheid is absoluut, dus ook deze niet. Het simpelste voorbeeld van de grenzen van vrijheid van meningsuiting is “Brand!” roepen in een vol theater als er geen brand is. Dit is illegaal, omdat je geen paniek in een menigte mag creëren, waardoor slachtoffers kunnen vallen. Wie toch “Brand!” roept, omdat hij daar toevallig zin in heeft, krijgt straf.

De Damschreeuwer lijkt mij een typische provocateur, zo iemand die er plezier aan beleeft als de goegemeente opfladdert en in alle staten raakt. Het gaat provocateurs niet om de inhoud van hun expressie, maar om de effecten ervan op de omgeving. Als die man zo’n behoefte had om de stilte te doorbreken met een oerkreet, had-ie ook op de grote stille heide de konijnen kunnen gaan opschrikken.

Met provocateurs is het lastig redeneren. Elk beroep dat je doet op conventies, beleefdheid of omgangsvormen ketst af op het formalistische pantser van de vrijheid van meningsuiting. Een provocateur is een fundamentalist die zijn tegenstanders tot censuur probeert te verleiden, om daarna verontwaardigd “Censuur!” te kunnen roepen.

Geert Wilders is een grootmeester in het genre. Zijn taalgebruik (‘kopvoddentax’, ‘haatpaleizen’) is irritant en onbeschoft, maar de heilloze discussies over ‘toonmatiging’ die onvermijdelijk volgen op het zoveelste schandelijke neologisme, leiden helemáál nergens toe. Bij de Algemene Beschouwingen ging Wilders zich te buiten aan beledigingen en persoonlijke sneren, waarbij vooral Job Cohen het moest ontgelden. Cohen werd uitgemaakt voor ‘schoothondje’ van Rutte, voor ‘poedeltje van het kabinet’ en voor ‘de grote gedoger’. Het was zuiver bedoeld om te stangen. Wat moet je daar mee als volksvertegenwoordiger?


Tot mijn verbazing reageerde Cohen op hetzelfde niveau, zij het minder effectief. Hij ontkende de aantijgingen en zei dingen als: “Wilders is een kleuter die niet naar school wil” en “Wilders is zelf een gedoger” (een jijbak). Dit maakte geen professionele indruk. Als iemand in de publieke arena de spreektijd benut door te beledigen, te schofferen of anderszins onwelvoeglijke taal te gebruiken, is het verreweg het beste om de provocaties te negeren onder het motto ‘laat de gek maar raaskallen’ en door te gaan met de inhoudelijke besprekingen. Zo min mogelijk aandacht aan besteden, want er staan belangrijker dingen op de agenda: het voorgenomen kabinetsbeleid bijvoorbeeld.

Ook met het boerkaverbod heeft de regering zich laten lokken in een door provocateurs opgestelde val. 380 euro boete op het dragen van een boerka! Dit geeft de tweehonderd boerkadraagsters in Nederland een vrijbrief om zich vanaf nu in een lange zwarte pij te hullen, van boven afgetopt met toegestane hoofdbedekkingen als een integraalhelm of, beter nog, een imkermasker. Het verbod werkt alleen maar contra-productief.

Een beetje stevige maatschappij laat zich niet op de kast jagen door een stelletje halfgare provocateurs. Die negeer je en je gaat over op de orde van de dag. Zolang we maar niet wéér een debat over de vrijheid van menings-uiting hoeven te voeren.