Saai duurt ’t langst

Na de vertoning van vorige week, blijft het nog even onrustig in Den Haag. ‘Wat doen we met Geert?’ is de vraag die Rutte en Verhagen zichzelf zullen stellen. Maar ze hoeven niet bang te zijn: Geert heeft al afscheid genomen.

Als de afgelopen Algemene Beschouwingen iets duidelijk maken, dan is het dat er eigenlijk weinig verandert in de Nederlandse politiek. Zelfs Geert Wilders is niet eens een dissonant. In vroeger tijden had je vergelijkbare types in het parlement: Boer Koekoek, Marcus Bakker, Hans Janmaat, de voltallige LPF-fractie. Buitenbeentjes. Dorpsgekken. Ongevaarlijk verder, en meestal ook aandoenlijk en niet ongeestig. Van Wilders zou je verwachten dat hij, eenmaal medeverantwoordelijkheid dragend als gedoger van een minderheidskabinet, rustiger zou worden. Wat meer niveau zou krijgen. Het is als met het vervelendste jongetje uit de klas, weet oud-leraar Emile Roemer: een goed onderwijzer maakt hem klasse-oudste of iets dergelijks, geeft hem verantwoordelijkheid. Maar bij kleine Geert zit de verongelijktheid erg diep, begint deze zelfs existentiële trekjes te krijgen, en speelt op bij het minste of geringste. Wilders heeft vorige week met zijn gescheld en getier niet alleen het gezag van de premier ondermijnd, hij heeft vooral zijn eigen ambitie om zeep geholpen om ooit uit te kunnen groeien tot premier of minister. Hij was een straatvechter en dat blijft hij. Er zit kennelijk niet meer in. Aldus heeft hij zichzelf afgeserveerd, onmogelijk gemaakt. Wat dat betreft waren de Algemene Beschouwingen een openbaring: wat de uitslagen van komende verkiezingen ook zijn, geen politicus zal het nu nog in z’n hoofd halen met die man in een regering te stappen.

Het kabinet-Rutte was ons vanaf de vorming beloofd als een kabinet ‘waarbij rechts Nederland de vingers zou aflikken’. Maar na een economisch nogal turbulent verlopen jaar vertoont het alweer alle vertrouwde kenmerken van een kabinet dat diverse ‘rechtse’ beloftes al niet meer of moeilijk kan waarmaken, zoals bijvoorbeeld het nadrukkelijk tegengaan van de instroom van niet-westerse immigranten of het beëindigen van de vermaarde ‘windsubsidie’ (zijnde subsidies voor windmolenparken). Onder druk van de crisis zit er niets anders meer op dan prioriteiten te stellen en voorrang te geven aan sanering van de overheidsuitgaven en verlaging van de staatsschuld. Daar is weinig ‘rechts’ aan, dat wordt alom als verstandig beleid gezien, want in een crisis die z’n weerga niet lijkt te kennen moeten we allemaal pas op de plaats te maken. Het is zelfs ‘links’ te noemen wat Rutte doet met de zogeheten Hardwerkende Nederlanders op wie de VVD zich richt. Zij leveren door allerlei lastenverzwaringen behoorlijk in aan inkomen. De Telegraaf-columnist Paul Jansen sprak al jennerig van ‘kiezersbedrog’.


Omdat het kabinet geen steun krijgt van de PVV op de dossiers Griekenland en Pensioenakkoord, moet het shoppen bij de PvdA, GroenLinks en D66. Job Cohen is ook in eigen kring bekritiseerd omdat het politiek-strategisch ongepast zou zijn om als zelfverklaard leider van de oppositie zaken te doen met ‘de vijand’. En met die eeuwige zoektocht naar verschillende meerderheden lijkt het kabinetsbeleid in ideologisch opzicht op een bord sausloze spaghetti. Maar, legde CDA-staatssecretaris Henk Bleker laatst uit, ‘dit is de polder – zo houd je droge voeten’. En zo is het.

Rutte-I is net zo min ‘rechts’ als het CDA/VVD-kabinet van Dries van Agt en Hans Wiegel (1977-1981) dat was. Weliswaar werd er toen voor het eerst stevig bezuinigd op de overheidsuitgaven, maar dat ging de toenmalige minister van Financiën Frans Andriessen lang niet ver genoeg, en hij trad zelfs om die reden af. En kan, van recenter datum, Balkenende-I ‘rechts’ worden genoemd, waarvan de LPF in 2002 deel uitmaakte en dat binnen drie maanden ten onder ging aan algehele chaos binnen die partij? Dat kabinet was helemaal ‘niks’.

Overigens kent de naoorlogse parlementaire geschiedenis ook geen echte ‘linkse’ kabinetten. Drees was een sociaal-democraat, maar wel een van de oude stempel. Bij hem luidde in de tien jaar dat hij regeerde steevast het oerdegelijke, Hollandse adagium ten aanzien van overheidsinvesteringen: ‘Niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk.’ Later brak hij met de PvdA van Joop den Uyl, die zijns inziens een steeds ‘onrealistischer koers’ ging varen. En het kabinet-Den Uyl, het troetelkind van progressief Nederland, matigde al kort na zijn aantreden in 1973 de torenhoge ambities, onder andere door Financiën-minister Wim Duisenberg, die de overheidsuitgaven danig wilde inperken (de zogeheten eenprocentsnorm) en daarvoor pas na veel interne strijd enige steun kreeg.


De meeste naoorlogse kabinetten kenmerken zich door een hoge mate van pragmatisme en van polderen, van zuinigheid en saneren, van op de winkel passen en rustig stilzitten in het politieke midden en wachten tot buiten de storm over is. En als de conjunctuur het toelaat, dan zijn de stappen die gezet kunnen worden altijd klein en met mate.

In verkiezingstijd mag de retorica nog zo krachtig zijn, zodra er wordt geregeerd, vliegen de scherpste ideologische kantjes er vanzelf af. Dat kan ook niet anders met zo veel partijen die bereid zijn bestuursverantwoordelijkheid te dragen. Rechts en links weten ook dat ‘tussen droom en daad’ wetten in de weg staan en ‘praktische bezwaren’, om Elsschot maar eens te citeren. Als het erop aankomt, krijgen de dwepers, overdrijvers en idioten geen kans, regeren niet de romantische onzin en de irrationaliteit, maar blijkt de Nederlandse politicus een kalme, nuchtere, verstandige en betrouwbare figuur te zijn die al te veel ideologie buitensluit, die nauwlettend toeziet op de scheiding van kerk en staat, en die politieke verheffing van het individu verkiest boven die van het collectief.

Rutte past hiermee in een traditie. Dat kun je weinig groots en meeslepend noemen, saai zelfs, maar liever dat dan warhoofden, ijdeltuiten of ander volk op het regeringspluche. Hier gelukkig geen Italiaanse toestanden. Mij kan het hier niet saai genoeg zijn.

En Wilders dan? Ach, misschien dat er ooit een zaaltje in de Tweede Kamer naar hem wordt vernoemd, zoals Marcus Bakker nog ten deel is gevallen. Of zo’n merkwaardig mooi verborgen binnenpleintje in het oude koloniëngedeelte van Den Haag, maar Geert Wilders heeft in zekere zin al afscheid genomen.