Voor vorstin en vaderland

Uilskuiken van de week: Hein Princen

Ghana, de zomer van 1997. Op het Voltameer dobbert het bescheiden maar comfortabele jacht van president Jerry Rawlings. Behalve de president en zijn gezin zijn de Nederlandse ambassadeur Hein Princen en zijn vrouw Lillybeth aan boord. Ook van de partij: adviseur Anthony Aidoo en enkele militaire stafleden. In het vooronder wordt muziek gedraaid, de stemming is uitgelaten.

Hein: “Ik wil u nogmaals hartelijk danken voor uw genereuze uitnodiging. Twee dagen aan boord van dit prachtige schip, mijn vrouw en ik zijn vereerd.”President Rawlings: “Geen dank, Hein, je bent een vriend, altijd welkom.” Rawlings komt overeind, klopt Hein op de schouder, verdwijnt dan naar het dek.

Lillybeth: “Hij kijkt zo vreemd uit z’n ogen, vind je ook niet, schat?” Hein: “Wat bedoel je?”

Lillybeth: “Die ogen, zag je die ogen niet? En hij zweet als een otter.”Hein: “Schei uit, da’s de cognac. Hoeveel wijntjes heb je zelf niet op?”

Lillybeth: “Dit is niet zomaar iets, Hein. Hij is de president! Je weet dat hij ook liegt over zijn kinderen, dat het er niet vier zijn maar zes. Heb je dat nou al doorgegeven aan de Amerikanen?” Hein, mompelend: “Brynn weet ervan.”

Na een kwartier is Rawlings nog niet terug. Hein: “Het is inderdaad merkwaardig, daarstraks bleef hij ook al zo lang weg.” Lillybeth: “Ssst, daar heb je ‘m, let op zijn ogen.”

Vol energie komt Rawlings binnengestoven. “Even een frisse neus gehaald,” roept hij terwijl hij zijn vrouw uitbundig omhelst. Ploft dan naast Hein en Lillybeth neer in zijn fauteuil. “Soms ben ik het zat om een bekende figuur te zijn.” Op fluistertoon: “Als je president bent worden er voortdurend spelletjes gespeeld achter je rug.”


Hij knikt in de richting van Aidoo, die met de militairen zit te kaarten. “Neem nou dinges, hoe heet hij ook alweer?” Hein: “Anthony, bedoel je?”

Rawlings: “Ja, die. God, ik ben zo slecht in namen. Wat vind je eigenlijk van hem?” Hein: “Tja, wat zal ik zeggen, zijn economische bemoeienissen…”

Aidoo kijkt hun richting uit, Rawlings staat op en loopt naar hem toe, omhelst hem uitbundig. Zet dan de muziek hard en begint te dansen. Verdwijnt opnieuw naar het dek.

Hein: “Potdomme, Lillybeth, je hebt gelijk.” Lillybeth: “Zag je hoe overdreven liefdevol hij zijn vrouw omhelsde, kruiperig bijna. En dat hij de hele tijd frisdrank neemt…”

Hein: “Hij is compleet paranoïde. En die Aidoo heeft hem in zijn greep. Aidoo is een linke. Schijnt Kadhafi en Castro te bewonderen.” Lillybeth: “Als we terug in Accra zijn bel je meteen met Brynn!”

Accra, twee dagen later. Gehaast komt de Amerikaanse ambassadeur Edward Brynn de hotellobby binnenlopen, Princen wacht aan een tafeltje. Brynn: “Wat voor de donder is er zo belangrijk, Hein?” Hein: “Het is Rawlings, Edward. Hij gebruikt drugs.”

Brynn: “Hoe kom je daar nu bij?” Hein: “Mijn vrouw weet het zeker. We waren dit weekend op dat jacht van hem. Hij verdween telkens een halfuur, kwam dan vol energie weer terug. Je zag het aan zijn ogen, en hij zweette als een otter. Aidoo maakt er gebruik van.”

Brynn: “Die vuile communist.” Hein: “Mijn vrouw weet dit soort dingen, Edward. Ze heeft een opleiding gevolgd tot maatschappelijk werker, niet afgemaakt, maar toch…” Brynn maakt driftig aantekeningen. “Je bent verdomd goed geïnformeerd, Hein. Laatst dat geval met die kinderen, nu dit weer, chapeau.”


Hein, glunderend: “Dank je, Edward. Wat denk je? Is het belangrijk genoeg voor Washington?” Brynn: “We zullen zien, Hein, we zullen zien.”

Met dank aan Julian Assange en WikiLeaks.