Als Hij zou komen

Christus komt misschien naar Brussel! Dimitri Verhulst beschrijft zijn landgenoten in afwachting van Zijn komst, en dat groepsportret is niet flatteus. Wel vermakelijk.

In de nieuwste Dimitri Verhulst zit een belangrijke les: als iedereen maar gelooft in een wijze jongeman uit Bethlehem, gaat de wereld er beter uitzien. Mensen helpen elkaar, biechten hun ergste zonden op en benadrukken de schoonheid van het leven. Dat doet vaag denken aan een eeuwenoude klassieker, en dan vooral aan het tweede deel van de cyclus, met als belangrijke verschillen dat Verhulst zich nog weleens een grapje veroorlooft, minder pagina’s nodig heeft en zijn verhaal in Brussel situeert. En ik geloof niet dat de woorden ‘botsauto’s’ en ‘lullemans’ in het Nieuwe Testament voorkomen.

De intrede van Christus in Brussel is een soort what if-roman, een roman die leunt op één gerucht: Christus komt naar de Belgische hoofdstad. Veel meer plot is er niet. Verhulst beschrijft de onrust, de verwachtingen, de veranderingen in het gedrag van zijn landgenoten na de mysterieuze aankondiging (‘de bron was betrouwbaar doch onbekend’). Komt-ie of komt-ie niet, dat is de vraag, en het antwoord wordt tot het laatste hoofdstuk bewaard. Een spanningsboog zonder verhaal, in een roman zonder echte hoofdpersoon.

De intrede van Christus in Brussel is vooral een vehikel voor een reeks niet al te lovende observaties over de mens in het algemeen en de Belg in het bijzonder. Hypocrisie, opportunisme en een chronisch slecht humeur – dat zijn ongeveer de belangrijkste karaktereigenschappen van de gemiddelde Brusselaar. Mensen kijken elkaar niet aan op straat, laat staan dat er een groet of glimlach van af kan, en als ze elkaar al aanspreken, is dat om elkaar de huid vol te schelden. Maar met de mogelijke komst van Christus verandert alles.


Dimitri Verhulst is niet het soort schrijver dat één thema en een handvol personages over een heel oeuvre uitsmeert. Hij wisselt komische, uit het leven gegrepen familiedrama’s af met geëngageerde, experimentele romans – experimenteel qua onderwerp en qua personages, of eigenlijk: qua gebrek aan personages. Het met de Libris Literatuurprijs bekroonde Godverdomse dagen op een godverdomse bol was een sombere geschiedenis van de mens, meer boek dan roman, de mens werd er consequent in aangeduid met ‘t. De intrede van Christus in Brussel valt duidelijk in de experimentele categorie. Het verhaal wordt verteld door een ik-persoon, maar die verteller doet eigenlijk nauwelijks ter zake. De Belgen, dat zijn de echte hoofdpersonen.

Misschien is het nooit een goed idee om op zoek te gaan naar wat de schrijver bedoelt met zijn boek, naar wat hij wil zeggen – met een niet al te strenge interpretatie kun je een auteur vrijwel al je persoonlijke overtuigingen in de mond leggen. Een beetje losjes betekenis zoeken levert dit keer een paar voorspelbare, algemene conclusies op, die op het eerste gezicht redelijk plausibel lijken (zoals de meeste algemene conclusies): dat de mens een God of een geestelijk leider nodig heeft, of op zijn minst de illusie van een geestelijk leider, de mens heeft God geschapen om het leven zin te geven, en als die zin wegvalt, vallen we snel terug in lafheid en indolentie.

Meer nog dan een gelegenheid om een paar punten te maken over mensen, goden en illusies, is de premisse voor Verhulst vooral een kans om zijn landgenoten af te beelden: zowel in momenten van opportunisme en collectieve hysterie, als in het treurig voortstrompelende dagelijkse leven. Verhulst kankert graag, indrukwekkend ook – bijna altijd. Bijna, want de toon doet af en toe denken aan die van een verzuurde oude man, die geen goed woord voor de buitenwereld overheeft, terwijl hij zich al jarenlang amper meer in de buitenwereld begeeft. Kritiek op het luidruchtige leven vanuit de stille zolderkamer.


Op zichzelf geen al te groot probleem. Ook als het geklaag wat obligaat, wat gemakzuchtig aandoet, is het vrijwel altijd vermakelijk. Verhulst verliest weleens het perspectief, maar nooit zijn gevoel voor humor. Zijn stijl is uniek, vol verrassende zinswendingen en sterke details. Bijvoorbeeld als hij de plotselinge belangstelling voor Brussel beschrijft, en de gevolgen voor de Parijse en Amsterdamse toeristenindustrie: “(-) de rederijen van de Amsterdamse grachten maakten van de toeristische luwte gebruik om hun schuiten te repareren en colablikken uit het water te vissen.” Die colablikken, in combinatie met het woord ‘vissen’, maken van een gewone observatie een treurig tafereel. En zo bevat vrijwel elke zin een even originele als onnadrukkelijke vondst. Verhulst wekt de indruk dat het hem allemaal geen enkele moeite kost.

Het probleem van België vat hij als volgt samen: “België was de hypochonder van de geografie: de staat die geloofde dat hij niet lang zou blijven bestaan en dus slechts met de grootste tegenzin nog investeerde in zichzelf, waardoor hij, omdat hij nu eenmaal bleef bestaan, verder moest als een gedurig achterop gesukkelde natie die te weinig geïnvesteerd had in zichzelf.”

Wat Verhulst hier – en in het hele boek – vertelt, is niet uniek. De manier waarop hij het vertelt wel. Dat is genoeg.

Dimitri Verhulst: De intrede van Christus in Brussel. Contact, €18,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Dries Muus