De lente komt te vroeg dit jaar

Wanneer breng je als popelende journalist, vol verse verhalen en beelden van het afgelopen half jaar, een boek uit over de Arabische Lente? Wacht je tot het moment dat de hervormingsdrift in de regio tot een einde lijkt gekomen, zodat je het complete verhaal kunt optekenen? Of geef je toe aan je ongeduld en schrijf je op wat je tot nu toe hebt meegemaakt? Jan Eikelboom, die voor Nieuwsuur verslag deed vanuit Tunesië, Egypte, Libië en bijna ook Syrië (hij kwam het land niet in), koos voor de laatste optie. Een gewaagde keuze, want het is goed mogelijk dat collega’s hem in de nabije toekomst voorbijstreven met naslagwerken waarin de laatste revolutionaire zucht wél is opgenomen. Daar zou het 191 pagina’s tellende boek van Eikelboom dan wat bleekjes bij afsteken. Maar vooralsnog spant hij de kroon met een boek dat de meest logische titel draagt: Arabische Lente – Een ooggetuigenverslag.

Eikelboom mag weliswaar vanaf het front berichten, hij noemt zichzelf liever geen oorlogsverslaggever. Wie het boek leest, begrijpt waarom: Eikelboom is niet de persoon die op zoek gaat naar rondvliegende kogels. Hij begeeft zich bij voorkeur op een veilige plek, waar hij in gesprek treedt met ‘de gewone man’. De arts, de rebel, de chauffeur, de hotelbaas, de collega-journalist – het zijn stuk voor stuk heel herkenbare types die hij in het boek opvoert. Dat maakt het toegankelijk, maar tegelijkertijd ook voorspelbaar. Gelukkig heeft Eikelboom tussen de regels door de harde werkelijkheid van de dictaturen beschreven, met levendige feiten over de verdreven despoten en achtergrondinformatie over de landen an sich. Dat geeft het boek toch nog wat pit. Bovendien biedt het een mooi inkijkje in het correspondentschap. Eikelboom beschrijft de valkuilen en de afwegingen die hij en zijn team maakten. Wel of niet naar Benghazi, waar volgens niet te controleren verhalen sluipschutters actief zijn die het gemunt hebben op buitenlandse verslaggevers? Wel of niet instappen bij een chauffeur die zomaar van de geheime dienst zou kunnen zijn?

Deze vragen werden vooral opgeworpen in Libië, veruit de gevaarlijkste revolutie, maar paradoxaal genoeg ook de makkelijkste om over te berichten: het was dringen geblazen voor de camera. Iedereen wilde zijn verhaal kwijt. Op de achtergrond werd een oorlog gevoerd in de meest amateuristische zin van het woord. Waren er niet (naar schatting) 50.000 mensen gesneuveld, dan had het bijna iets lachwekkends gehad: Pepsi-flesjes die met benzine worden gevuld, rebellen die niet eens weten hoe een geweer werkt en per ongeluk op elkaar schieten.

Eikelboom sluit zijn boek af met een bezoek aan Mohammed El-Baradei, voormalig hoofd van het Internationaal Atoomenergie Agentschap en kanshebber voor het Egyptische presidentschap. Het had een mooie analyse kunnen worden, maar El-Baradei komt in de vijf pagina’s tellende afsluiting nauwelijks aan het woord. Hij lijkt ook niet goed te weten wat de toekomst in petto heeft. En hij kán het op dit moment ook nog niet weten. Toch heeft dat iets onbevredigends. Zou het dan toch iets te vroeg zijn om een boek over de Arabische Lente te publiceren?


Jan Eikelboom: Arabische Lente – Een ooggetuigenverslag. Balans, €16,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Irene de Zwaan