De dood als zelfbehoud

Euthanasie. Hulp bij zelfmoord. Een kliniek voor levensbeëindiging. Claire Polders schreef een roman over de euthanasie van haar vader en houdt andere vormen van een waardige dood tegen het licht. ‘Als ik over een jaar nog leef, klaag ik mijn arts aan.’

“Ik ben bijna klaar met mijn voorbereidingen,” zegt Bert. “Ik heb alleen nog een doorzichtige plastic zak nodig.”
We zitten op een terras in Parijs aan een tafel die niet groot genoeg zal zijn voor drie lunchborden en kijken elkaar aan. Mijn moeder heeft ons een ogenblik alleen gelaten om in het café naar het toilet te gaan. Samen zijn ze vier dagen in mijn stad geweest, vier dagen waarin we niet over zijn plannen hebben gesproken. Over een paar uur gaat hun trein terug naar Rotterdam.
“Heb je ook alle formulieren voor de officiële weg ondertekend?” vraag ik.
“Ja. Ik moet alleen nog een kopie op papier hebben. Het staat nu in de computer en dat vertrouw ik niet. Artsen zijn niet handig met computers.”
Hij trekt er een gezicht bij dat ik goed van hem ken en dat hij als uiterst serieus zou bestempelen als ik het zou wagen het geestig te noemen. “En de verklaringen van de ziekenhuizen,” vraag ik, “zijn die ook binnen?”
Bert knikt. “Ze mogen me niet reanimeren.”

De eerste keer dat ik Bert na het horen van het slechte nieuws zag, was zijn huid gelig van kleur en heb ik met hem gesproken alsof het de laatste keer zou zijn. Vijf maanden later heeft hij op zijn bootschoenen de halve stad doorkruist. “Het is fijn dat het geregeld is,” zeg ik. “Misschien heb je alles pas over drie jaar nodig, maar…”
“Nee, hoor,” zegt Bert. “Als ik over een jaar nog leef, klaag ik mijn arts aan.”
We lachen en de ober brengt onze borden. Ze passen inderdaad niet op het tafeltje en blijven vervaarlijk op de rand wiebelen. Ik schuif de blauwe kaas van mijn salade op de omelet van Bert. Het is mijn manier om te zeggen dat ik zijn houding en keuzes respecteer: doorleven alsof er niets aan de hand is, zonder operaties en behandelingen, zonder gezondheidsdieet. Totdat het niet anders meer kan. En wanneer het niet anders meer kan, wil hij dat het zo snel mogelijk voorbij zal zijn. Vandaar de formulieren en de plastic zak. Zijn voorbereidingen moeten garanderen dat zijn dood straks van hem zal zijn.

Op 20 januari 2000 overleed mijn vader op 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker, al is het nauwkeuriger te zeggen dat hij stierf aan de gevolgen van een injectie van zijn huisarts. Dankzij euthanasie dus. Ruim elf jaar later bereidt mijn stiefvader Bert op bijna tachtigjarige leeftijd zijn eigen dood voor. Gediagnosticeerd met darmkanker en uitzaaiingen in de lever, maar ogenschijnlijk nog vol leven, zijn artsen huiverig hem euthanasie toe te zeggen.
Tot voor kort was ik trots op onze euthanasiewet. Een vriendin met gevorderde multiple sclerose kon in haar vriendenkring in Hollywood niemand vinden die het onderwerp zelfs maar wilde bespreken, en ook in Frankrijk heeft de regeling geanimeerde tafeldiscussies opgeleverd. Hoera voor mijn vooruitstrevende Nederland!
Inmiddels weet ik dat er ook bij ons nog veel te verbeteren valt. Mijn vader was destijds een patiënt voor wie de euthanasiewet leek te zijn geschreven: zijn lijden was uitzichtloos en ondraaglijk, en zowel zijn huisarts als de controlearts vonden dat er geen andere redelijke oplossing bestond. In het geval van mijn stiefvader staan de zaken er anders voor. De chirurg die zijn diagnose stelde, drong aan op een operatie en de huisarts vond het nog veel te vroeg om over euthanasie te spreken. Zolang Bert niet is uitbehandeld of aan bed gekluisterd ligt, voldoet hij niet aan de criteria voor euthanasie.

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

claire polders