Ons internationale brein

Instituut Clingendael, Nederlands meest toonaangevende denktank, heeft een bijna onschendbaar imago: er werken uiterst toegankelijke wetenschappers die beschikken over veel kennis, een vlotte babbel en een toonbaar uiterlijk. Het lijkt te mooi om waar te zijn.

Stel: de euro valt. Het grote nieuws wordt om vier uur ’s middags bekendgemaakt. Paniek in heel Europa natuurlijk, maar ook opwinding. Op Instituut Clingendael bijvoorbeeld, waar dit de momenten zijn waarop het zijn bestaansrecht verdedigt. Terwijl de telefoon roodgloeiend staat – de ene na de andere journalist belt – heeft directeur Ko Colijn zijn medewerkers opgetrommeld voor een spoedvergadering: wie staat wie te woord, wie schrijft een opiniestuk, wie zit er vanavond bij Nieuwsuur? Het werk dat voor die dag op de agenda stond, is abrupt stil komen te liggen. De secretaresse is druk bezig afspraken te verzetten. Chaos, kortom, maar iedereen probeert het hoofd koel te houden. De medewerkers vormen een hecht team. Ze hebben een gezamenlijke missie: de val van de euro zo goed mogelijk in kaart brengen.
“Het gebeurt vier
of vijf keer per jaar dat er van die idiote dingen gebeuren waardoor alles even opzij mag,” vertelt Ko Colijn. Hij werd als kersverse directeur meteen op de proef gesteld. Nog geen dag na zijn aantreden op 1 mei jongstleden kreeg hij een telefoontje van de NOS: “Het was vijf uur ’s ochtends en president Obama stond op het punt om de dood van Osama bin Laden aan te kondigen. De NOS vroeg of ik onmiddellijk een reactie kon geven. Dat deed ik dan maar.” Lachend: “We hebben een heel hartelijke relatie, kun je wel zeggen.” Niet veel later zorgde de arrestatie van Ratko Mladic opnieuw voor opschudding.
Voor journalisten is Clingendael (officieel: Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael) op zulke momenten een van de eerste contacten waar mee gebeld wordt. Niet voor niets: het instituut beschikt over inhoudelijke kennis op tal van terreinen en toont zich bovendien altijd uiterst dienstbaar. Een gemiddeld telefoongesprek verloopt ongeveer zo: de journalist belt op, krijgt de secretaresse aan de lijn, vertelt wie hij wil spreken en nog geen minuut later heeft hij de desbetreffende deskundige te pakken. Is diegene niet aanwezig? Dan krijgt hij een 06-nummer. “Geen probleem,” klinkt het bemoedigend aan de andere kant van de lijn. De journalist slaat een zucht van verlichting; was het maar overal zo geregeld.
 

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

irene de zwaan