Taalarmoede

Iedere week een artikel in zijn geheel op de site. Deze week de column van Beatrijs Ritsema over taal. ‘Passie’ is een wezenloos huis-tuin- en-keukenwoord geworden, zoals ‘leuk’.

Tegen de betekenisverschuiving van woorden valt niets te ondernemen, ik weet het, en toch doet het pijn als een mooi, niet al te frequent gebruikt woord ineens buiten zijn oevers treedt en ongekend populair wordt. Neem het woord ‘passie’. Eeuwenlang leidde dit een obscuur bestaan in de luwte van het algemeen vocabulaire. Het werd alleen tevoorschijn gehaald wanneer iemand het wilde hebben over verzengende hartstocht. Het woord was ook geassocieerd met lijden, als in ‘de passie van Christus’. Het duidde op iets edels en verhevens, maar impliceerde tegelijk dat het niet goed zou aflopen. Je voelde bij wijze van spreken de tragedie al waarop het zou uitlopen. De gedoemde liefde van Romeo en Julia was een passie. Of de reis van Shackleton naar de Zuidpool. Een passie heeft iets brandends, iets urgents en bijna altijd iets noodlottigs. Een passie doet pijn.

Van die bovenmenselijke, tragische context is niets over in het tegenwoordige gebruik van het woord. Passie staat nu voor hobby’s. Quizkandidaten op televisie wordt ter introductie gevraagd naar hun passies: zelf broodbakken en reizen is het antwoord. Mensen die plezier hebben in hun werk vertellen trots dat hun beroep (graficus, docent, veehouder) hun passie is. Kinderen die een vrijetijdsbesteding nodig hebben, gediplomeerden van de middelbare school die een vervolgopleiding zoeken krijgen allemaal te horen dat ze hun passie moeten volgen.

Een passie is iets waar je aardigheid in hebt (gamen, surfen, borduren), en daarmee is het woord effectief ontdaan van zijn oorspronkelijke angel, en een wezenloos huis-tuin-en keukenwoord geworden, zoals ‘leuk’. Dat is jammer, want wat moeten we zeggen wanneer we het over echte, noodlottige passie willen hebben en ‘hartstocht’ net iets tammer klinkt? Passie 2.0 soms? De verwatering van de betekenis leidt tot woordarmoede. Ik kan mensen die zonder ironie het woord ‘passie’ in de mond nemen nauwelijks serieus nemen. Hebben ze niet in de gaten wat voor opgeblazen, pretentieuze indruk ze maken?

Dezelfde instinctieve reactie van weerzin heb ik bij het woord ‘respect’, waar al veel langer iedereen verliefd op is. Van politici en bestuurders tot kansarme hangjongeren, werkers en patiënten in de zorg, docenten en leerlingen – iedereen heeft de mond vol van respect. In de recente kwartaalpeiling van het SCP naar de maatschappelijke problemen die de bevolking het zorgwekkendste vindt is het punt ‘immigratie en integratie’ uit de topvijf gekukeld, maar ‘normen en waarden’, oftewel het gebrek aan respect in de maatschappij, staat al jaren onbetwist op de eerste plaats. De problemen in Griekenland ondermijnen de economische stabiliteit van heel Europa, banken dreigen om te vallen, maar in Nederland bekommert men zich om respect. Vroeger betekende dat: geïmponeerd zijn door iets wat of iemand die groter was dan jij, maar nu staat het voor iets mistigs dat je enerzijds moet verdienen en waar anderzijds iedereen recht op heeft. Eenzelfde vorm van betekenisdevaluatie als bij ‘passie’ heeft hier plaatsgevonden: het betrekkelijk zeldzame ‘ontzag hebben voor’ moet nu de hele lading dekken van ‘correcte omgangsvormen’. Maar daar hádden we allang een woord voor, namelijk beleefdheid. Om een of andere reden is beleefdheid uit de gratie geraakt (misschien te veel kruiperige associaties voor deze egalitaire maatschappij) en vervangen door het hopeloos aanstellerige ‘respect’.

Het woord ‘beleefdheid’ omschrijft precies wat er nodig is aan omgangsvormen: de ander niet te na komen en hem in zijn waarde laten, terwijl je hem in gedachten kunt minachten wat je wilt. De term ‘respect’ daarentegen houdt een gevoelscomponent in: je voelt je op een prettige of onprettige manier nietiger dan de ander. Voor beleefdheid zijn geen gevoelens nodig, terwijl respect juist een onontwarbare kluwen van gevoelens vormt. Geen wonder dat de vervanging van beleefdheid door respect tot meer onbeleefdheid leidt.

beatrijs ritsema