De kunst en de knikkers

Particulieren moeten onze kunst gaan financieren. Maar hoe? Beeldend kunstenaar Moki Last en haar mecenas Evert bedachten een eigentijdse constructie. ‘Dit is inspirerend voor beide partijen.’

‘Hier ben ik het liefst.” Moki Last (55) zegt het met brede handgebaren in haar atelier, hartje Den Haag. Last werkt meestal met klei. Ze noemt zich geen keramist maar ‘beeldbouwer’. “Wat ik maak is ruimtelijk.”

Haar expressieve ogen verraden haar gedrevenheid. Ze werkt aan installaties van grote aantallen objecten. Dat doet ze ‘vanuit een ongelooflijke drang en dwang’. Een drang die ze haar taak noemt en die niets te maken heeft met calvinisme. “Voor mij is het woord taak lichtvoetig en luchtig. Wat ik doe is mijn taak. Die weg heb ik te gaan.”

Op veel objecten in haar atelier staan geheimzinnige tekens in een onbekende taal. “Ik schrijf daadwerkelijk woorden in de klei,” zegt Last. “Woorden die op dat moment belangrijk voor me zijn. Maar ik maak ze onherkenbaar, omdat ik mijn verhaal met vormen vertel. No matter what road I travel, I’m going home, heb ik eens geschreven. Nu zou ik bijvoorbeeld ‘toekomst’ schrijven.”

Net als andere kunstenaars voelde Last de gevolgen van de economische crisis. “Al drie jaar lang wordt nauwelijks kunst gekocht. Ik viel terug naar drie exposities per jaar.” Dat was wennen na 27 jaar van haar kunst te hebben geleefd. Met de Lucasprijs voor keramische vormgeving, zeg maar een cum laude, verliet Last in 1982 de kunstacademie in Den Bosch. Meteen na haar eindexamen werd ze gevraagd voor een expositie. De jaren erop exposeerde ze gemiddeld zeven keer per jaar. Verzamelaars kochten haar werken. Gestaag en gedisciplineerd werkte ze door aan bijvoorbeeld een wandplatenobject voor het stadhuis in Emmeloord. De twee kleurrijke Vredesbanken voor het Vredespaleis en de Hans van Wierenbank (ter nagedachtenis aan de vermoorde docent Hans van Wieren) in Den Haag zijn mede van haar hand. Een hele rij ‘Vulkanen’ van haar installatie Het Water en de Vulkaan was in Museum Mesdag tentoongesteld.


Er kwam een crisis bij: de midcareer-fase van de kunstenaar. “Je bent niet meer die jonge kunstenaar die je kunt ontdekken,” zegt Last. “Maar ook nog niet zo’n ouwe knar die koste wat kost doorgaat.” Toen ze een galeriehouder vroeg om haar in het buitenland te promoten, gaf deze een veelzeggend antwoord: “Maar Moki, je bent al 55!”

Hoe kom je uit zo’n dubbele crisis? Last besloot op zoek te gaan naar een mecenas, een ‘begunstiger van geleerden en kunstenaars’, aldus het woordenboek. Vernoemd naar de gulle en kunstminnende Romein Gaius Cilnius Maecenas, ooit adviseur cultuurbeleid van keizer Augustus.

Stap één was het maken van een businessplan. Last: “In drie jaar tijd op eigen benen. De komende jaren naar buitenlandse beurzen. Keulen. Karlsruhe. Bazel. Meer verkopen!”

Met haar businessplan benaderde ze begin dit jaar een vermogend man. “Twee jaar terug had zijn vrouw een werk van mij gekocht. Een Vulkaan. Mei vorig jaar kwam haar man zelf op bezoek. Hij zei: ‘Ik ben hem steeds meer gaan waarderen en ik voel dat er nog eentje ontbreekt.'”

“Ik dacht: jee, dat is een mooi object. Hier hoort een tweede bij,” beaamt haar mecenas Evert. Hij komt uit het bedrijfsleven en wil anoniem blijven. “Ik heb helemaal geen zin om dit mecenaat aan de grote klok te hangen. Als je zoiets onderneemt, moet je een paar centen hebben en dat hoeft niemand te weten.” Dat hij aan goede doelen schenkt, houdt hij eveneens geheim. “Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik dit kapitaal heb en daar mogen anderen ook van profiteren. Eerlijk gezegd eet ik er geen boterham minder om. Maar de voldoening die het je geeft als dingen lukken, is geweldig.”


Evert besloot de uitdaging van een mecenaat aan te gaan. Het moest wel ‘een beetje economisch zijn, zoals dat met mijn giften aan charitatieve doelen gaat. Die zijn fiscaal aftrekbaar’. Hij informeerde bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. Kon hij een specifieke kunstenaar ondersteunen met belastingtechnische faciliteiten? Nee. Dan moet je een fonds op naam creëren, luidde het antwoord. “Het hoeft niet per se je eigen naam te zijn, maar wel met een algemene bestemming,” zegt hij. “Bijvoorbeeld: dit fonds is voor mensen die keramiek maken en in Den Haag wonen. Dan kan iedereen die aan zulke criteria voldoet een aanvraag indienen. Bovendien besluiten de mensen van het Prins Bernhard Cultuurfonds welke aanvragen worden gehonoreerd. Daar had ik geen zin in.”

Evert informeerde naar het financiële plaatje van Last. “Daar had ik nooit goed over nagedacht. Mijn dochter Eva, ze werkt als manager, kwam met een praktisch idee. ‘Mam, je maakt veertig uur per week. Daar staat een uurloon voor!'”

Evert was intussen naar zijn bank gestapt. Het gesprek aldaar gaf helderheid: subsidie en fiscale voordeeltjes lukken simpelweg niet. “Ik wilde het ook niet te ingewikkeld maken,” zegt hij. “Nu ondersteun ik haar door drie jaar lang veel kunst van haar te kopen.” Kunstwerken die hij graag aan familieleden schenkt.

Last: “Het is een zakelijke overeenkomst met als doel dat ik weer zelfstandig word. Hij heeft geen invloed op wat ik maak. Vier keer per jaar koopt hij werken van mij. Op mijn verzoek drinken we maandelijks een kop koffie. Op zijn verzoek kom ik twee keer per jaar met een financieel plaatje: waar heb ik zijn geld aan uitgegeven?”


In haar atelier staan werken die doen denken aan ineenstortende huizen. Maar er zitten gaten in de muren. Je kunt erdoor ontsnappen, een geruststellend idee. “Ik maak niet één gesloten wand waar je tegenop knalt. Ik zie in mijn leven altijd een opening.”

In een hoek staan vazen met geknakte halzen. “Honderd mooie potvormen,” licht Last toe. “Ik bouwde ze eerst keurig en strak op. Daarna heb ik ze, toen de klei nog nat was, gedeformeerd, getormenteerd met mijn hele lijf.” Ze maakt heftige gebaren. “Ik omarm ze. Duw ze helemaal in elkaar. Met mijn ellebogen. Mijn knie erin. Mijn kop ertegenaan.”

Ze tast de perfecte vorm aan ‘omdat de wereld absoluut niet perfect is. Ik houd van het imperfecte. Perfectie is bijna beangstigend van leegte.’

Evert: “Zo’n ingedeukte vaas geeft mij het beeld van een verbroken belofte. Vindt zij weer boeiend als ik dat zeg. Haar werk straalt eenvoud uit waar je van alles bij kunt bedenken en die aanzet tot bespiegeling.” Enthousiast: “Ik heb steeds beter in de gaten hoe belangrijk kunstenaars zijn. Zij dagen je uit om de wereld van een andere kant te zien en eens een andere schoonheid in je huis of omgeving te halen dan die van Ikea.”

Dat de kunst- en cultuursector moet inleveren vindt hij logisch. “Ten tijde van bezuinigingen moet ook de kunstenaarswereld daaraan bijdragen. Een soort zelfreinigend mechanisme binnen die wereld is helemaal niet gek. We hoeven ook niet zó genereus te zijn dat we iedereen moeten onderhouden die zich kunstenaar noemt. Maar dat je binnen deze maatschappij een aantal kunstenaars moet ondersteunen, daarvan raak ik steeds meer overtuigd.”


En dus timmert Moki Last weer aan de weg. Deze herfst had ze een nieuwe solo-expositie No matter what road I travel, I’m going home, in het Haagse centrum voor actuele kunst JCA DE KOK. Haar mecenas opent nieuwe perspectieven. Last op haar beurt probeert voor hem een nieuwe wereld te openen. “We praten over kunst. Ik neem hem mee naar interessante galeries.”

Evert: “Weinig mensen weten dat een mecenaat inspirerend is voor zowel de kunstenaar als de mecenas.” Zijn doel: dat Last ‘een heel fatsoenlijke boterham’ verdient. “Veel kunstenaars werken hard maar verdienen weinig.”

Hij kwam maar net op tijd. “Anders had ik een baan moeten gaan zoeken,” zegt Last. Zij noemt het dan ook een ‘geslaagd mecenaat.’ Zei ze het niet? “Er is altijd een opening in het leven.”

Stella Braam