Een goed gesprek met Max Westerman & Oscar Niemeyer

IIk ben terug in de stad waar ik al eerder een blauwe maandag correspondent was: Rio de Janeiro. Dat was meer dan twintig jaar geleden en toen al zat ik te vlassen op een interview met Oscar Niemeyer. Ik dacht destijds: opschieten, de man is oud! Het kwam er niet van, maar gelukkig bleek mijn haast voorbarig. Met tentoonstellingen, documentaires en een rits boeken vierden de Brazilianen een paar jaar geleden de honderdste verjaardag van hun wereldberoemde architect. Werd het nu toch niet eens tijd?

Als ik Niemeyer eindelijk ontmoet, is hij 103. Hij zit onderuitgezakt in een rolstoel. De ouderdom heeft zijn lichaam gesloopt, maar wat hij behield zijn z’n levenslust en z’n jeugdige, speelse geest. Die blijmoedigheid is terug te vinden in zijn ontwerpen – ze is tevens karakteristiek voor het volk dat hem heeft voortgebracht.

Ik heb Hollandse sigaartjes voor u meegenomen. U rookt toch nog, hè?

“Geweldig, dankjewel. Ik ben onlangs gevallen en nu onder behandeling; van de dokter mag ik een paar maanden niet roken. Maar daarna… ik verheug me er alweer op; roken is heerlijk!”

Hier zijn ook nog wat Hollandse gevelhuisjes van porselein. Ik was benieuwd wat u van onze architectuur vindt. Voor het geval die u niet bevalt: de huisjes zijn gevuld met drank.

“O, maar ik vind ze heel mooi! Vanwege jullie klimaat moeten jullie anders bouwen dan wij, maar ook op het gebied van de moderne architectuur leveren jullie een heel belangrijke bijdrage. Ik ben er nooit geweest, maar de Nederlanders die ik ken zijn leuke mensen! Ze houden van een borrel en een gezellig gesprek, nietwaar? Net als de Brazilianen. Onze volken hebben hebben wel meer gemeen. Allebei ook gek op voetballen. We spelen wel eens tegen elkaar en dan winnen wij altijd, klopt toch, hè?”

Hij is de laatste van de legendarische architecten die in de eerste helft van de vorige eeuw het moderne tijdperk inluidden: Mies van der Rohe, Frank Lloyd Wright, Walter Gropius. Maar terwijl zijn collega’s vooral waardering kregen van de culturele elite, is Niemeyer een echte volksheld. Iedere Braziliaan, ongeacht zijn opleidingsniveau, kent hem. Die populariteit dankt hij aan zijn toegankelijke persoonlijkheid, zijn links-populistische gedachtengoed, zijn volle leven – hertrouwd op zijn 99ste! – maar vooral natuurlijk aan zijn originele gebouwen. Geen andere architect kreeg ooit, zoals hij, de opdracht een hele nieuwe hoofdstad te bouwen: het futuristische Brasilia. Behalve daar vind je zijn gebouwen verspreid door heel Brazilië en in veel andere landen, altijd herkenbaar aan hun vloeiende, ronde vormen. Een soort beeldhouwwerken waarin wordt gewerkt en geleefd.


Niemeyer ontvangt me in zijn penthousekantoor boven in een art-decogebouw in de strandwijk Copacabana. Hij komt er elke dag, vergezeld door echtgenote Vera, die dertig jaar lang zijn assistente was. En al is het er dankzij een gestage stroom bezoekers vaak gezellig, er wordt ook hard gewerkt. Om me heen zijn medewerkers in de weer met nieuwe tekeningen van de meester.

Waarom heeft u deze plek uitgekozen voor uw kantoor?

“Ach, kijk uit het raam – strand, zee, mensen, er is geen betere plek denkbaar. Rio is fantastisch. Alleen al de setting: de bergen die zich door de stad heen slingeren, de stranden waar zo veel wijken op uitkomen. En dan de mensen: ze zijn vrolijk, maken graag grapjes en nemen de tijd voor elkaar. Ik heb veel gereisd, maar wilde dan altijd snel weer terug naar Rio. Zeg nu zelf: wie deze stad bezoekt, bezwijkt toch geheid voor haar charmes?”

Ik las ergens dat u zich in uw ontwerpen laat inspireren door de rondingen van de vrouwen die u beneden op het strand ziet liggen…

“…en die van de eilanden verderop in de baai. Ik heb inderdaad weinig met de rechte lijnen die gemaakt zijn door de mens: ze zijn hard en onbuigzaam. Je ziet ze niet in de natuur. Wat mij interesseert is de ronding. De geniale en sensuele rondingen die je ziet in de wolken, in de rivieren, in het lichaam van een mooie vrouw. De ronde vorm is perfect – hij komt uit de kosmos. En hij komt uit mijn potlood. Soms haal ik het niet eens van papier af en zet ik een gebouw in één streek neer. Zo beleef ik nu veel plezier aan het ontwerp voor een kerk. Het is een kruis met armen van twintig meter breed; uit die armen dalen de lijnen van het dak neer. Dat is architectuur die me bevalt: heel simpel. Een kruis, een dak en hup, daar staat de kerk!”


Zijn eerste gebouw dat uit één enkele golvende lijn bestond was ook een kerk. De kerk van Sint Franciscus van Assisi was in 1943 zo modern, dat het Vaticaan hem eerst niet als onderdak voor katholieke gelovigen wilde accepteren. Het is nu een van de grote toeristische attracties van de stad Belo Horizonte. De wijk Pampulha daar is één grote uitstalkast van Niemeyers gebouwen. Hij kreeg de opdracht voor de ontwerpen van burgemeester Jucelino Kubitschek, die het vervolgens tot president van Brazilië schopte – en die Niemeyer opnieuw belde. Of hij een nieuwe hoofdstad wilde bouwen.

Brasilia moest helpen mensen weg te lokken uit de overvolle kuststrook naar het grotendeels lege binnenland. Het moest ook een symbool worden voor een ambitieuze, toekomstgerichte natie onder een president die ‘vijftig jaar vooruitgang in vijf’ beloofde. Niemeyer sloeg aan het tekenen: een presidentieel paleis, een parlement, ministeries, een kathedraal, woonblokken. Het ultramoderne Brasilia werd een van ’s werelds meest bijzondere steden, nog vóór Amsterdam door Unesco voorzien van het werelderfgoed-keurmerk.

En dat voor een haastklus! U heeft het regeringscentrum in 41 maanden gebouwd.

“Ja, er was haast bij. Maar zo voelde het niet. Brasilia was een avontuur, een geweldige tijd. Er was daar helemaal niets: een kale, dorre vlakte. Het eerste wat ik bouwde, was een houten keet om in te wonen – voor mezelf, de ingenieurs en voor de president als hij op bezoek kwam. We gingen naar dezelfde bars en dansfeesten als de arbeiders. Kubitschek was een nederige en enthousiaste man, een echte gangmaker. De saamhorigheid was enorm. We hadden het gevoel dat we aan een nieuwe maatschappij bouwden.”


Uw materiaalkeuze maakte het vast makkelijker om snel te bouwen. Al uw gebouwen zijn van beton. Waarom?

“De uitvinding van gewapend beton, begin vorige eeuw, opende de deuren voor een meer gevarieerde architectuur. Als ze het in de renaissance hadden gehad, zouden ze het zeker ook hebben gebruikt. Toen bouwden ze een koepel van dertig meter of zo, nu maken we er een met een doorsnee van honderd of wel tweehonderd meter. Met gewapend beton kun je je fantasie de vrije loop laten. Nou ja, tot de rekenmeesters me terugfluiten en zeggen dat iets écht niet kan. Dat gebeurt weleens.”

Ik had op mijn achttiende een vakantiebaantje in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties. Heeft u die gebouwen nu wel of niet ontworpen? Er is wat verwarring over.

“Ik was een jonge architect en mijn beroemde collega Le Corbusier had ook een ontwerp gemaakt. Het mijne werd unaniem gekozen. Maar toen kwam Le Corbusier naar me toe en vroeg of we konden samenwerken, of ik wat van de elementen uit zijn ontwerp wilde overnemen. Dat heb ik gedaan. Maar kijk naar de documenten, naar de foto’s van het feestje waarop we vierden dat wij hadden gewonnen. Het was mijn ontwerp. Maar ik zit er echt niet mee, hoor, dat sommigen denken dat Le Corbusier de architect was. Ik had gedaan wat me interesseerde – daar gaat het om.”

Heeft u ook weleens een gebouw ontworpen waarvan u nu spijt heeft?

“Natuurlijk. Maar ik herinner me liever niet welk gebouw.”

Wat is voor u goede architectuur?

“Ik maak graag gebouwen die iets origineels hebben, zodat de mensen die erdoorheen lopen zich verwonderen en erover nadenken. Zoals ze verrast zijn als ze een schilderij zien van Picasso. Als hij het oog van een vrouw in haar mond schildert, is ze toch mooi! Architectuur is uitvinden. Een goede architect benut zijn vrijheid.”


Weet u hoeveel gebouwen u heeft ontworpen?

“Nee, ik heb ze nooit geteld. Maar het zijn er veel. Ik heb hard gewerkt.”

U heeft geduldig mijn vragen over architectuur beantwoord. Maar ik begrijp dat u eigenlijk liever over andere dingen praat.

“Ach, er is zo veel meer in het leven dan architectuur. Ik krijg nu les in filosofie. De leraar komt elke dinsdag en vertelt me van alles over het ontstaan van de kosmos en dat soort dingen. Wie meer weet over het begin, begrijpt ook beter waar we heengaan.”

Brazilië noemt zich al lang ‘het land van de toekomst’. Denkt u dat de toekomst nu is aangebroken?

“Hij is begonnen, denk je niet?”

De economie groeit als een bezetene, maar dit is nog steeds een land met heel veel ongelijkheid.

“Daar heb je gelijk in. Maar het is aan het veranderen. Het Braziliaanse volk heeft op dit moment een beetje reden tot glimlachen. Brazilië is op de goede weg. Het is een belangrijk land geworden. We hebben in Lula een geweldige president gehad, en hij heeft in Dilma Rousseff een waardig opvolgster. Lula was een fabrieksarbeider. Hij begreep de problemen van Latijns-Amerika, de bedreigingen van het kapitalisme. De noodzaak om een eigen, onafhankelijke weg te bewandelen. De maatschappij te hervormen zodat de armen het beter hebben en meer kansen krijgen. Te leren van andere Zuid-Amerikaanse patriotten, zoals Hugo Chávez en Fidel Castro.”

Ze zijn beiden regelmatig in dit penthouse op bezoek geweest, de Venezolaanse en Cubaanse machthebbers die een vuist naar de westerse wereld maakten. En ik kan me voorstellen dat het er dan best gezellig aan toeging bij een borrel en de Cubaanse sigaren die Castro zijn vriend regelmatig toestuurde. “Niemeyer en ik zijn de laatste communisten,” zei Castro een paar jaar geleden.


Bent u nog steeds lid van de Communistische Partij?

“Natuurlijk! Dat hoef je niet eens te vragen. Het is logisch dat ik een communist ben – en dus ook geen christen. Ik wil een wereld waarin iedereen gelijk behandeld wordt, een wereld waarin de solidariteit zegeviert. Waarin je met willekeurig wie praat en weet dat hij het even goed heeft als jij.”

En iedereen zich mooie architectuur kan veroorloven?

“Mijn grote frustratie! Het spijt me heel erg dat mijn werk op veel plekken niet wordt gebruikt door het volk, maar door de mensen met het geld. Ik hoop dat de armen in elk geval wat plezier beleven aan het aangezicht van die gebouwen.”

Een bezoekje aan een van zijn bekendste creaties lijkt dat te bevestigen. Aan de overkant van de baai van Rio ligt in de voorstad Niteroi zijn museum voor hedendaagse kunst. Een wonderlijk gebouw dat lijkt op een ufo die is geland op een uitstekende rotspunt boven het water. Het museum stemt tot vrolijkheid, getuige de talloze Braziliaanse dagjesmensen die elkaar ervoor staan te fotograferen. Dat ín het museum weinig bijzonders te vinden is, lijkt ze niet te deren. Een ‘Niemeyer’ is een kunstwerk op zichzelf.

De architect was al 89 toen het museum opgenging, dit jaar was hij terug in Niteroi om ter gelegenheid van zijn 103de verjaardag nog drie door hem ontworpen gebouwen te openen. Ik zag hoe het feestje een volksfeest werd toen hij de organisatoren opdracht gaf de zorgvuldig geselecteerde gastenlijst weg te gooien en iedereen die voor de hekken stond binnen te laten.

U wordt spoedig 104…

“Ja, gooi er maar vast een jaar bovenop, verdomme!”


Wat is uw geheim? Houdt het werken u jong?

“Ik bén jong! Ik ben in mijn hoofd nog steeds achttien.”

U praat liever niet over uw leeftijd?

“Nou ja, ik ga natuurlijk best wel gebukt onder mijn leeftijd. Maar ik doe wat ik kan, hè? Ik leef wat er te leven valt. Intussen probeer ik mijn leeftijd een beetje te vergeten. Maar eigenlijk vind ik het leven niet zo heel genereus.”

Hoezo?

“Ach, je wordt geboren en begint direct alweer te sterven. En hoe langer je leeft, hoe meer je lijdt. Want je moet aanzien hoe de een na de ander vertrekt – je familie, je vrienden. We moeten ons best doen er wat van te maken. Maar we moeten ook bescheiden blijven, want niets duurt lang – jij niet, ik niet, de architectuur niet. Het leven is weinig meer dan een zucht. En toch beleef ik er veel plezier aan!”

Tot 25 november staat Amsterdam in het teken van de Braziliaanse cultuur. Informatie over de talloze evenementen op www.brasilfestival.nl.