‘Een warme stal, goed voer en een pretje op z’n tijd’

De vraag is niet langer of Job Cohen, maar of zijn PvdA nog te redden is. De geschiedenis van de partij biedt uitkomst. Intussen begint Lodewijk Asscher zich warm te lopen. Hij gaat Henk en Ingrid terughalen en verheffen.

Ver weg van Den Haag, diep in de provincie, broedt de Tilburgse PvdA-wethouder Jan Hamming op de vorming van een ‘schaduwkabinet’, zoals Joop den Uyl dat in 1972 naar Engels voorbeeld deed en dat de opmaat zou worden naar het roemruchte kabinet-Den Uyl. Hamming is alvast van één naam verzekerd: die van zijn Amsterdamse collega Lodewijk Asscher. Hij is de beoogde minister-president.

Pikant, want Asscher wordt alom beschouwd als opvolger van de huidige politiek leider Job Cohen, die ook ontbreekt in Hammings schaduwkabinet. Wordt derhalve in Tilburg vast de wisseling van de macht voorbereid? “Wij willen de discussie over Job Cohen nu niet aangaan,” zegt Hamming via de gsm vanuit Turkije, alwaar hij een dienstreisje maakt. “Cohen hoeft voorlopig niet weg. Belangrijker voor mij is dat een aantal gelijkgezinden de koppen bij elkaar steekt en na gaat denken over een eigentijds en breed gedragen sociaal-democratisch programma.”

Naar het voorbeeld van het schaduwkabinet-Den Uyl zal ook Hammings schaduwkabinet bestaan uit leden van de PvdA, maar ook van de SP, GroenLinks, D66 en zelfs uit kandidaten die niet aan een politieke partij verbonden zijn. Aanvankelijk had Hamming de dames en heren in Den Haag gepolst over deze vorm van progressieve samenwerking, maar de animo bij Cohen, Roemer en Pechtold hield niet over. Wij gaan niet wachten op Den Haag, dacht Hamming, en hij toog zelf aan het formeren. Volgende maand wordt de presentatie van zijn schaduwkabinet verwacht, maar behalve de namen van Asscher en die van hemzelf moeten de meeste posten nog worden ingevuld.

Den Uyl had destijds een programma dat Keerpunt ’72 heette, en Hamming varieert daarop met Keerpunt 2012. Wat staat erin? Centraal staan de ‘drie V’s’: de ‘V’ van vrijheid en van verantwoordelijkheid, die naar Hammings opvatting te veel het domein zijn geworden van de PVV en de VVD. De derde ‘V’ staat voor het aloude verheffingsideaal. Hamming: “Wij willen de partij worden van de drie V’s, zeg maar de PVVV, of de PVV-plus. Een sociaal-democraat hecht net zo goed aan zijn individuele vrijheid, maar kent ook zijn verantwoordelijkheid jegens de medemens en wil daarnaast de kans hebben om zichzelf en zijn naaste op te werken, om de kwaliteit van het leven te verbeteren. Dat is in een notendop het verhaal waarmee het schaduwkabinet de boer op gaat.”


Maar daar zou Job Cohen zich toch uitstekend in kunnen vinden? Hamming: “Ik denk dat als die progressieve samenwerking een serieuze zaak wordt en zich verder ontwikkelt, dat je dan weer een paar jaar verder bent. Het zou mij niet verbazen als Job Cohen dan zelf zal inzien dat hij de beker beter aan een ander kan geven.”

Hamming benadrukt dat zijn schaduwkabinet geen ‘paleisrevolutie’ is en dat het hem gaat om de ‘inhoud’, en beslist niet om Haagse ‘Barbertje-moet-hangen-achtige reflexen’. Maar Cohen, die al flink onder druk staat, zal toch niet helemaal gerust kunnen zijn op dit hijgen in de nek van Hamming, Asscher en de rest van het schaduwkabinet. Want het blijft een beetje gek dat de partij zich wil vernieuwen, zonder dat de politiek leider daarin een prominente rol speelt.

Hammings keuze voor het verheffingsverhaal zou weleens een geweldig gat in de electorale markt kunnen zijn. Cohen mag dan onzichtbaar zijn volgens Lilian Ploumen, maar dat is de partij al veel langer. Dat is niet eens zo vreemd, want de meeste sociaal-democratische wensen op het gebied van sociale zekerheid en economische bescherming zijn gedurende ruim honderd jaar verwezenlijkt. De Nederlandse sociaal-democratie is feitelijk gewoon ‘af’. Maar onder druk van structureel belabberde peilingen, een schutterende oppositieleider en van een bloeddorstige pers moet er actie ondernomen worden. De partij moet vernieuwd worden, zegt Ploumen, de partij dient eigentijdse antwoorden te vinden op de problemen van vandaag.

Dat klinkt aardig, maar het wordt voor een politiek leider lastig zoeken als in politieke zin alle boodschappen inmiddels in huis zijn gehaald.


Hamming en consorten hebben in de geschiedenis van de sociaal-democratie gegraven en ontdekt dat verbetering van de materiële levensomstandigheden van de arbeidersklasse voor sociaal-democraten nooit een doel op zichzelf was. Er zat een cultuur-politieke bedoeling achter: de materiële welvaartsvergroting moest op den duur de arbeider verheffen en uittillen boven zijn grauwe bestaan. “Het doel van het socialisme is het bestaan zin te geven,” betoogde de vermaarde essayist en politicus Jacques de Kadt in 1948 in zijn essaybundel Verkeerde voorkeur. “De gewone man kan in een ‘slechte’ maatschappij in het algemeen niet boven een ‘slecht’ leven uitkomen. Hij is noch tot ontvangen van wat hem geboden wordt in staat, omdat hem zo weinig behoorlijks geboden wordt en omdat hij in een voortdurende houding van afweer, angst en verbittering wordt gedwongen; noch is hij in staat tot het ontplooien van scheppende kracht. Een betere maatschappelijke orde bevrijdt hem van veel waardoor hij thans gedwongen wordt scheef te groeien of in zijn groei belet wordt. Hij bereikt dan het maximum van wat hij bereiken kan. Misschien is dat ook dan niet veel, maar het is ongetwijfeld meer dan hij thans kan worden.”

De Kadt meende dat de ‘gewone man’ zich bezig kon gaan houden met ándere dingen dan de arbeid voor het materiële bestaan, zoals ‘contact met het grotere en het hogere’, ‘geestelijke groei’ en het ‘leiden van een groot, goed en schoon leven’. De hele samenleving zou daar uiteindelijk beter van worden. Om die reden moesten sociaal-democraten zich volgens hem verrehouden van de oppervlakkige en consumentistische ‘maagmens’, die niets liever deed dan ‘in grote wagens rijden en brullen’ en voor wie het leven bestaat uit ‘een warme stal, goed voer en een pretje op z’n tijd’.


Hoe actueel.

Misschien moeten Cohen en als het aan Hamming ligt dus Lodewijk Asscher dat oude verheffingsideaal oppoetsen en aldus Henk en Ingrid, het geboefte uit de Amsterdamse tuinsteden en al dat andere Oh Oh Cherso-volk een trap onder hun gat geven. Ongetwijfeld zullen de postmoderne, liberale geesten in de PvdA dat elitair vinden, autoritair, paternalistisch en geheel niet meer van deze tijd. Van hen moet dan maar afscheid genomen worden. Cohen en/of Asscher zullen voortaan in de geest van Jacques de Kadt hun bijdragen larderen met pleidooien over ‘persoonlijke ontplooiing’ en ‘verhoging van kansen in het leven’.

Frans van Deijl