Ongemakkelijk bestaan

In de ontkerkelijkende jaren zestig wordt Walter priester. Maar gelukkig wordt hij niet. Aan het eind van de gelijknamige roman wordt duidelijk hoe verlammend de invloed van de Kerk is geweest.

Zo verfrissend als de jaren zestig voor veel mensen geweest moeten zijn, zo vermoeiend zijn de verhalen inmiddels geworden. Demonstraties, flowerpower, Dolle Mina’s – misschien dat iemand er iets nieuws over weet te vertellen, maar het is niet heel waarschijnlijk.

De invalshoek van Daniël Rovers is misschien niet helemaal nieuw, maar in elk geval opmerkelijk. Walter Cosijn, hoofdpersoon en titelheld van Rovers’ tweede roman, beleeft zijn adolescentie in de jaren zestig. Terwijl zijn leeftijdgenoten lsd slikken en geheime boodschappen ontwaren in het oeuvre van Pink Floyd, laat Walter zich opleiden tot priester. Het is de tijd van Woodstock, vrije seks en The Who, maar Walter is ongeveer even rock -‘n- roll als een scrabblemarathon.

Iets meer dan een jaar geleden debuteerde Daniël Rovers (1975) met het ontroerende Elf, in meerdere opzichten bijna het tegendeel van Walter. Elf was een roman in verhaalvorm. Een verteller die elf van zijn vrienden portretteerde. De verhalen speelden zich hoofdzakelijk in Brussel af. Een hedendaags, stads boek, geschreven in een eenvoudige, lichtvoetige stijl.

In Walter roept Rovers een wereld op die niet alleen ver achter ons ligt, hij roept een wereld op die ook in die tijd al achterhaald was. Beter gezegd, hij beschrijft een wereld die binnen een paar jaar achterhaald raakt. De samenleving verandert in hoog tempo maar de katholieke kerk staat stil.

Als Walter iets níet is, is het wel hedendaags of stads. De roman begint in 1950 op het Brabantse platteland, en eindigt in 1971 in Rotterdam. Vrijwel elk van de tussenliggende jaren is een hoofdstuk op zichzelf: we volgen Walters ontwikkeling van boerenzoon tot diaken, stapsgewijs doorlopen we zijn opleiding op het klein- en grootseminarie, en de verwarrende jaren daarna.


Rovers roept een tijdsbeeld op – niet alleen in zijn beschrijvingen, maar ook via krantenberichten en zwart-witfoto’s. Meestal zijn dat niet meer dan illustraties; soms, vooral tegen het einde, spelen ze een rol in de plot. Maar meer nog dan een tijdsbeeld is Walter een portret van de hoofdpersoon. Als je romans kunt verdelen in plotromans en portretromans, behoort Walter duidelijk tot de laatste categorie.

Dat is meteen het probleem.

In theorie zou je van iedereen een mooi, aangrijpend portret kunnen maken, hoe oninteressant de persoon ook lijkt. En andersom: een interessant persoon is geen garantie voor een geslaagd portret. Hoe de geportretteerde wordt afgebeeld, daar gaat het om. In theorie. Want anders dan in de schilderkunst, moet er in de literatuur toch op een of andere manier een band ontstaan tussen lezer en geportretteerde.

Misschien kan een schilder door een bijzondere lichtval of een afwijkende penseelvoering elk portret interessant maken. In een portretroman kom je daar minder snel mee weg. Als de hoofdpersoon niet aansprekend, niet meeslepend genoeg is, kan de stijl nog zo indrukwekkend zijn, maar dat is zelden genoeg om meer dan tweehonderd pagina’s je aandacht vast te houden.

Rovers maakt het zichzelf niet makkelijk. Walter is een vrome, degelijke jongen, zonder al te veel innerlijke conflicten, en – misschien is dat nog wel storender – zonder al te veel gevoel voor humor. Dat wordt niet gecompenseerd door de verteller (de roman is in de hij-vorm geschreven): de toon is in de eerste plaats nauwkeurig, zintuiglijk. Meer observerend dan oordelend.


In Elf schreef Rovers nuchter en grappig. In zijn tweede roman heeft hij zich een heel andere stijl aangemeten, lijkt het. Beeldend, een paar vergelijkingen per pagina – soms raak: “De portier ging de seminaristen voor op de trap die naar de etages leidde; treden breed als grafstenen.” Maar vaker neigt hij naar mooischrijverij: “De sergeant zat gehurkt, het smeulde in hem, als een rokende vulkaan, de Vesuvius in de buurt van Napels, maar tot een uitbarsting kwam het niet.” Een alinea verder: “Brand lachte als een dronken dragonder.” Ah, zo’n lach.

In de laatste hoofdstukken wordt het opeens spannend en aangrijpend – dan pas raakt Walter (op beschaafde wijze) in conflict met zijn omgeving. Dan pas wordt echt duidelijk wat voor verlammende invloed de Kerk op zijn leven heeft en wat hij allemaal mis is gelopen – een achterstand die hij niet snel zal inhalen.

Goed is dat Rovers in het midden laat of Walters wereldvreemdheid nou aan hem zelf te wijten is of aan de Kerk. De schrijver laat bisschop Huub Ernst misschien wel de kernzin van het boek uitspreken: “Een kerk is geen democratie, zij kan zeer moeilijk verandering velen.” Maar hetzelfde geldt voor Walter.

De hoofdstukken vóór Walters weifelachtige breuk met zijn roeping voelen aan als een soort sympathieke, voortsukkelende documentaire, een inkijk in een vergeten wereld. Maar zo vergeten is die wereld nu ook weer niet. Hoe origineel het perspectief op de jaren zestig ook mag zijn, en hoe sterk sommige vergelijkingen: dat zijn allemaal bijzaken.

Grote kans dat Rovers een geweldig boek in zich heeft. Maar Walter is dat niet.


Daniël Rovers: Walter. Wereldbibliotheek, €18,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Dries Muus