Flierefluitende priester

In Gods naam schetst de uitspattingen van Joep Haffmans, deken van Gulpen. Maar het boek geeft vooral een ontluisterend beeld van het geestelijk en maatschappelijk leven in Limburg.

In gezelschappen waar wordt gesproken over de huidige financiële crisis, hoor je vaak beweren dat er een noordelijk Europa bestaat waar alles keurig is geregeld en een zuidelijk Europa waar men het niet zo nauw neemt met de regels van fatsoen en integriteit. Wat minder hardop wordt gezegd, is dat deze scheidingslijn grofweg de grens markeert tussen het protestantisme in het noorden en het katholicisme in het zuiden.

De socioloog Max Weber (1864-1920) heeft als eerste gewezen op de succesvolle relatie die het kapitalisme is aangegaan met het protestantisme. Hardwerkende calvinisten verdienden veel geld, dat ze evenwel niet mochten uitgeven, omdat zulks in strijd zou zijn met de leer dat men in de ogen van God eenvoudig dient te leven. Calvinisten zijn spaarders. Dat juist Arie Slob van de ChristenUnie de bevolking heeft opgeroepen om nu meer te sparen, bevestigt de theorie van Weber. De tegenwerping dat het economisch leven juist opdroogt als iedereen gaat sparen, kun je vooral van een katholiek verwachten.

In een interview met Joop van Tijn uit 1978 heeft Piet Steenkamp gezegd: “Het eigen geweten is bij ons katholieken niet voldoende ontwikkeld.” Steenkamp kwam tot zijn ontdekking toen hij de fusie van KVP, AR en CHU aan het smeden was en merkte dat zijn protestantse partners er vaak een strengere moraal op na hielden dan zijn eigen katholieke politici, die voornamelijk uit het zuiden kwamen. Daarom bestaan er binnen het CDA tot op de dag van vandaag verschillende bloedgroepen.

Van oudsher is Limburg de meest katholieke provincie van Nederland. Wellicht dat Geert Wilders daar definitief een eind aan heeft gemaakt, maar in de jaren dat bisschop Gijsen deze kerkprovincie vanuit Rolduc regeerde, stemde de overgrote meerderheid van de Limburgers trouw op de KVP. Het boek In Gods naam van de onderzoeksjournalisten Henk Langenberg en Maarten Laarhoven beschrijft ‘de affaire Joep Haffmans’, die zich ruwweg tussen 1970 en 2010 heeft afgespeeld. Bijna veertig jaar lang heeft deze priester uit de stal van Gijsen zijn eigen baan getrokken. Dat wil zeggen dat hij een luxeleventje leidde vol vrouwen, snelle auto’s en dure etentjes, en dat alles onder het wegkijkende oog van de bisschop en van andere hoogwaardigheidsbekleders binnen de Rooms-Katholieke Kerk.


In Gods naam beschrijft niet alleen het leven van een flierefluitende priester. Het boek geeft vooral een ontluisterend beeld van het geestelijk en maatschappelijk leven in Limburg. De affaire is geen eenmalig incident, maar een symptoom van een structurele wanverhouding tussen de bevolking en de boven hen gestelden. Tussen wat door de boven hen gestelden in woord wordt beleden en wat daarvan in de dagelijkse praktijk terechtkomt. In Gods naam gaat niet alleen over hypocrisie, maar vooral ook over corruptie. Daarom is In Gods naam een belangrijk boek, dat ver uitstijgt boven het anekdotische.

Joep Haffmans behoorde tot de groep van jongere priesters die in 1974 naar Rolduc kwam om zich daar te laten kneden door de ultraconservatieve bisschop Gijsen. Onder de belofte van eeuwige trouw konden ze zich vanaf die tijd praktisch alles permitteren. Ze hadden onderlinge homoseksuele contacten, maar schrokken er evenmin voor terug meisjes te ontmaagden en verder alles te bekennen wat op hun pad kwam. Verder vloeide de champagne rijkelijk en reden ze rond in dikke BMW’s en Saabs. Zolang ze naar buiten toe de orthodoxe leer uitdroegen, die voorbehoedsmiddelen en abortus verbood, die homoseksualiteit vervloekte en het ongedoopte kind een begrafenis in gewijde grond ontzegde, werden ze in alles gedekt door hun bisschop.

Van al deze priesters was Joep Haffmans de exponent. Hij ging het verst. Hij hield er verschillende maîtresses op na, neukte met zijn soutane nog aan en bezat een open MG waarmee hij regelmatig op vakantie ging. Ondertussen sprak hij vanaf het altaar hel en verdoemenis uit over de moderniteit. Af en toe werd hij dronken van de weg gehaald, maar omdat een deken in Limburg nu eenmaal veel aanzien geniet, mocht hij altijd doorrijden. Thuisgekomen zei hij dan met trots tegen zijn vriendin: “Zie je wel. Ik kan alles maken.”


Als aan Haffmans wordt gevraagd hoe hij toch aan al het geld komt om zijn uitspattingen te financieren, antwoordt-ie dat hij van goede komaf is en flink wat heeft geërfd. Dat blijkt totaal gelogen, zoals ook zijn doctorandustitel gefingeerd is waarmee hij voortdurend indruk probeert te maken. Het geld onttrekt hij uit de kas van het Parochiaal Armenbestuur, waarover hij de beschikking heeft sinds hij door Gijsen tot deken in Gulpen is benoemd.

Het hoogtepunt van In Gods naam komt wanneer wordt verteld hoe Haffmans aan de deur de pakketjes geld in ontvangst neemt die voor de armen zijn bestemd. Na de verzekering dat het geld op de goede plaats terecht zal komen, loopt hij naar binnen, knipoogt naar zijn vriendin, haalt het geld uit de enveloppe, verdeelt het in twee pakketjes, steekt onder elke oksel een pakketje en zegt guitig: “Kijk, ik doe precies wat ik beloofd had. Ik verdeel het geld onder de armen.”

Het is voor mij onmogelijk zoiets te lezen zonder in schaterlachen uit te barsten, maar treurig is het natuurlijk wel. Toen Joep Haffmans in 2007 op 64-jarige leeftijd stierf aan een acute hartaanval – hij had al een tijdje zijn medicijnen niet meer genomen – werd hij ervan verdacht zo’n 1,8 miljoen euro uit de armenkas te hebben verduisterd. Zijn plotselinge dood heeft verhinderd dat Haffmans voor het gerecht kwam. De verantwoordelijke kerkelijke leiders zijn, tot de huidige bisschop Wiertz aan toe, later nog verhoord.

Uiteraard wisten zij allen van niets.

Zij konden niet verklaren waarom nooit was geantwoord op brieven waarin werd gewaarschuwd voor de praktijken van Haffmans. Dat de zaak toch nog aan het rollen werd gebracht, is te danken aan Haffmans’ heimelijke vriendin Elvira Herczeg. Zij kon het naar eigen zeggen op een gegeven moment niet meer aanzien en heeft geprobeerd de kwestie bij Justitie aan te kaarten. Na veel tegenwerking is dat uiteindelijk gelukt. In het boek wordt ze vooral afgeschilderd als een slachtoffer, wat zij natuurlijk ook is, maar aan de andere kant zit ze er zelf natuurlijk ook tot haar nek in. Ze is met open ogen verliefd geworden op een pastoor, ging met hem op reis, reed mee in zijn MG, enzovoort. Toch komt het nooit bij haar op die roomse poppenkast de rug toe te keren.


Het woord ‘ontluisterend’ wordt vaak ten onrechte gebruikt, maar voor In Gods naam is het volledig op zijn plaats. Zelden is zo goed beschreven hoe de roomse kerk in een gesloten provincie onbelemmerd haar gang kon gaan. En ze komen er allemaal in voor, in dat Limburgse. Zo is daar bijvoorbeeld de voormalige deken van Weert, die ervan werd verdacht betrokken te zijn geweest bij de ontuchtaffaire in het Anne Frankplantsoen in Eindhoven. Ook de naam van de Maastrichtse advocatenfamilie Moszkcowicz komen we tegen. De oude Moszkowicz wil Haffmans best verdedigen als die eerst even dertienduizend euro fourneert. Dat geld komt ook uit de armenkas. Er is zelfs een piepklein rolletje weggelegd voor Joseph Ratzinger, maar toen was hij nog geen paus.

Kortom, wie dit boek leest, zal begrijpen waarom Geert Wilders in Limburg zo veel stemmen trekt.

Henk Langenberg en Maarten van Laarhoven: ‘In Gods naam’. Carrera, €17,90. Ook via ako.nl.

Max Pam