Joepie! Wereldkampioen!

Nee, ik had er niet de wekker voor gezet. Allemaal leuk en aardig, wereldkampioen worden, maar liever niet om zeven uur op zondagochtend.

Honkbal is een sport waarvan de aantrekkingskracht mij volledig ontgaat. In Amerika zijn ze er altijd erg druk mee, maar ik kan me nooit helemaal aan de indruk onttrekken dat het daar meer te doen is om de vijfkilo-hamburgers en de emmers cola op de tribunes dan om de esthetiek van de sport. Het grootste deel van mijn jeugd bracht ik door in Bussum, toch een klein honkbalmekka, maar het heeft niet mogen baten; ik ben nog steeds een ongeïnteresseerde leek. De velden van HCAW, aan de spoorlijn richting Hilversum, maken vanuit de trein gezien altijd een beetje een verdrietige indruk. Alsof ze zelf liever ook geen honkbalterrein waren geweest.

Een eerdere poging de charme van de sport te begrijpen, strandde vijftien jaar geleden jammerlijk in een lamlendige, nachtelijke kijksessie naar een Major League-finale waar maar geen einde aan wilde komen, samen met mijn wél begeesterde buurjongen – hijzelf sprak op een bepaald moment alleen nog over ‘baseball’. Kort daarna verhuisden we en negeerde ik het bestaan van de sport voortaan.

Tijdens gymlessen op de middelbare school specialiseerde ik me in het ‘verre veld’, waar de bal toch nooit kwam.

Toen afgelopen week het WK Honkbal in Panama (ook al geen jofele locatiekeuze, vind ik, voor een wereldkampioenschap, maar goed) tot een climax dreigde te komen, besloot ik me voor de laatste keer in te leven in die miljoenen fans, die met overslaande stem over een ‘pracht van een dubbelspel’ kunnen gillen.

Dat wilde ik ook kunnen.

Nederland won zijn eerste wedstrijd met 2-1 van Japan, waarna Griekenland met 19-0 van het terrein werd geveegd – sommige landen blijft niets bespaard. Er volgden overwinningen op Japan, Puerto Rico, VS, Japan, Zuid-Korea, Australië, Cuba en Venezuela. Dat er verloren werd tegen Canada, gaf kennelijk niet.


Ik zag geen enkele wedstrijd. Als ik op televisie langs een honkbalveld kwam, zapte ik door. Het ging vanzelf, en er was geen moment wroeging.

De finale kwam. En werd gewonnen. De jongens van Oranje waren wereldkampioen, en het kon me niets schelen. Terwijl ik dus een raschauvinist ben: ik ben gek op WK’s schaatsen omdat daar zo lekker veel Nederlanders winnen, net als bij hockey, en zelfs korfbal kan mij aan de buis kluisteren, als onze landseer maar in het geding is. Jongens en meisjes in dat smaakvolle oranje, daar word ik altijd erg vaderlandslievend van. Op internet keek ik zondagochtend de slotfase van de negende inning terug, in de hoop dat mijn oranjebloed wat sneller zou gaan stromen.

Op het scherm dribbelden twee soorten mannen voorbij: iets te dikke mannen en veel te dikke mannen. Misschien dat het hun tenues waren, waarin de spelers als ongetrainde rollades zaten vastgesnoerd. Echt sportief zag het er in elk geval niet uit.

Aan elke pitch ging een minutenlang voorspel vooraf, waarin iedereen in alle rust naar zijn positie sjokte. De sfeer – die in de kranten ‘zenuwslopend’ werd genoemd – deed me qua spanning denken aan een avondpartijtje in het park.

Het slotpunt naderde. David Bergman, een pitcher met een rood petje, ging de beslissende bal gooien. Commentator Charles Urbanus hield het niet meer: “Dit is niet meer van deze wereld.”

Wát er nu precies niet van deze wereld was, wilde maar niet duidelijk worden.

Jonathan Schoon ving de bal. Het was volbracht. “Wij waren erbij!” riep de commentator.


Later kwam minister Schippers – vroeg uit de veren op zondag – al door met haar felicitaties. Die had er dus wel de wekker voor gezet, net als de koningin, die ook in de wolken was. Had vast met de hele familie voor de buis gezeten. Oranje tompoucen erbij, ratels, vlaggetjes op de wangen. En maar juichen voor David Bergman.

Ik begreep er nog steeds niets van, maar dat beeld, dat kuste mijn oranjegevoel toch een beetje wakker.