Top-problemen

Boven aan de agenda van de eurotop van aanstaande zondag staat met koeienletters de eurocrisis. Op 9 oktober beloofden Merkel en Sarkozy ‘nog deze maand’ met een alomvattend plan te komen om die crisis op te lossen. Scepsis overheerst, maar laten we er toch van uitgaan dat de regeringsleiders de handen ineenslaan en Europa redden. Op welke vragen moet een reddingsplan dan een antwoord geven?

Dat zijn er vier. Daar gaan we.

1: Hoe gaat Europa voorkomen dat ‘patiënt’ Griekenland overlijdt?

De Grieken hebben de afgelopen maanden stevige hervormingen en bezuinigingen doorgevoerd, en de vraag is of ze niet aan de opgelegde daadkracht bezwijken. Een land uitknijpen omdat het z’n schulden moet terugbetalen kan en moet, maar als de economie daardoor helemaal stilvalt zijn er geen inkomsten meer en wordt aflossen onmogelijk. In juli werden banken al gedwongen circa eenvijfde van hun Griekse tegoeden af te schrijven, maar dat lijkt te weinig.

Grootste probleem zijn de banken: sommige zullen omvallen als de Grieken niet al hun schulden terugbetalen. En de financiële markten zullen voor altijd anders naar Europa kijken, namelijk als een continent waar landen failliet kunnen gaan.

2: Hoe voorkomt Europa dat landen als Italië, Spanje en zelfs Frankrijk het volgende slachtoffer worden van het wantrouwen van de financiële markten?

Het besmettingsgevaar was tot nu toe het belangrijkste argument van regeringen, ook de Nederlandse, om de Grieken te blijven steunen. Ze vrezen dat als Griekenland omvalt, banken die hen geld hebben uitgeleend worden meegesleurd en regeringen vervolgens moeten bijspringen om die banken te redden. Als dat om veel geld gaat, zoals in Italië en Frankrijk, zullen financiële markten gaan twijfelen of die landen zelf nog wel in staat zijn hun schulden af te betalen, en geen geld meer aan ze uitlenen.

De kans op besmetting is te verkleinen door het Europese noodfonds EFSF flink te verhogen en zo een ‘dam’ te leggen rond landen die ten prooi dreigen te vallen aan de kapitaalmarkten. Met dat geld kan het fonds schuldpapier opkopen zodra markten dat niet meer doen. Als het EFSF dit krachtig doet, zullen de financiële markten hun wantrouwen laten varen.


Alleen: hoe groot het gevaar van besmetting is, en tot wat voor kosten het zal leiden, is onduidelijk. En hoewel het idee natuurlijk is dat EFSF-geld wordt gebruikt om leningen op te kopen die uiteindelijk weer worden terugbetaald, is daarop geen garantie. Belastingbetalers nemen dus een risico.

3: Hoe versterk je de banken om te voorkomen dat ze kwetsbaar blijven?

Het EFSF inzetten om acuut omvallen van banken te voorkomen is één. Maar hoe kunnen banken sterk genoeg worden, zodat die dreiging voorgoed verdwijnt? Daarvoor moeten ze zorgen voor meer geld in kas. Maar een zoet medicijn is dit niet: ze kunnen dan minder krediet verstrekken, en bedrijven kunnen al zo moeilijk aan geld komen. Dat is niet goed voor de economie. Overheden kunnen de pijn verzachten door banken – tijdelijk – te voorzien van extra kapitaal. Maar willen belastingbetalers en kiezers wel dat er nog meer geld gaat naar de impopulaire banken?

4: Hoe kan een herhaling worden voorkomen?

Landen houden zich niet aan de afspraken om de begrotingstekorten binnen de perken te houden, daar moeten dus nog hardere afspraken voor komen. Premier Mark Rutte stelde voor om een eurocommissaris aan te stellen die gaat toezien op de begrotingen van landen en hen ook kan straffen als ze het niet doen.

Probleem hierbij is dat dit de facto neerkomt op meer samenwerking binnen Europa, en het opgeven van een – deel van – de autonomie van een land. Dat ligt in veel landen gevoelig. En de vraag is of het instellen van zo’n eurocommissaris genoeg is, of dat veel verdergaande samenwerking nodig is.