Wij zijn allen socialisten

‘Wij zijn allen Amerikanen,” schreef de Franse krant Le Monde tien jaar geleden na de aanslagen van 11 september. Daar leek solidariteit met New York en Washington uit te spreken, maar het was ook een dubbelzinnig betoog waarin werd uitgelegd dat de aanslagen als een aanval op het hele Westen moesten worden gezien en ook Parijs hadden kunnen treffen. Frankrijk moest anticiperen op de woede van de rest van de wereld. Toen George Bush anderhalf jaar later Saddam Hussein wilde verdrijven, gaven de Fransen niet thuis.

Ik heb nooit sympathie gehad voor die houding van het ‘oude Europa’. Ik vond de Franse en Duitse kritiek op Amerika gemakzuchtig. En hoe ‘solidair’ de Franse en Duitse regeringen waren, hebben we in 2003 gezien, toen ze de regels van het Europese Stabiliteitspact overtraden. De prijs betalen we nu met de eurocrisis. Maar deze maand trof mij een ander sentiment. Op een zondag zag ik op CNN een krijtstreep smalend uithalen naar ‘Merkozy’, die in Berlijn wéér geen spijkers met koppen hadden geslagen. En dat terwijl banken op omvallen stonden en de beurzen diep rood kleurden:”You know, this is the real world!” Toen had ik het ineens helemaal gehad met al die types die Wall Street voor de echte wereld houden. En ik was niet de enige, het ‘Occupy Wall Street’ klinkt plotseling overal. Zijn wij allen weer socialisten geworden?

Het lijkt onwaarschijnlijk, want het socialisme ruikt nog steeds naar mottenballen. Zie de Franse socialisten, die deze week een nieuwe leider kozen. De strijd ging tussen François Hollande, de 57-jarige ex-man van Ségolène Royal die het in 2007 al aflegde tegen Nicolas Sarkozy, en Martine Aubry, de 61-jarige dochter van Jacques Delors, als voorzitter van de Europese Commissie een van de grote doordrijvers van de euro. En om de kliekvorming nog erger te maken: de Franse socialisten zijn teleurgesteld dat hun held Dominique Strauss-Kahn niet meedeed, want dan hadden ze betere kansen gehad. U weet wel, DSK, de oud-baas van het IMF, die kort voor vertrek naar een monetaire crisisvergadering in een hotel in New York nog even een naar eigen zeggen vrijwillige ontmoeting had met een kamermeisje uit Afrika en door zijn eigen schatrijke vrouw van de Amerikaanse justitie werd gered. Volgens de Parijse intelligentsia was dit akkefietje een stok om DSK mee te slaan, maar de rest van de wereld zag slechts de stok van DSK en liet deze ‘socialist’ genadeloos vallen. Alleen The Economist in Londen hield ons voor dat we de ‘goede ideeën’ van de gevallen topman niet moesten vergeten. Tot zover het Franse socialisme, ontluisterd door flitslicht en flitskapitaal.


Onderschat de Franse tegendraadsheid echter niet. Dertig jaar geleden, toen Margaret Thatcher in Groot-Brittannië net op gang kwam, kozen de Fransen de socialist François Mitterrand als president. Hij voerde kapitaalcontroles in, wat de Parijse bourgeoisie aanspoorde om met koffers vol cash richting Zwitserland te rijden, waar het bankgeheim een veilige haven bood. Het socialistische experiment duurde twee jaar, waarna er in 1983 onder minister Delors resoluut een eind aan werd gemaakt. De Franse economie krabbelde weer op en wist zich in de jaren negentig de invoering van een 35-urige werkweek te permitteren. Dat gebeurde onder het conservatieve bewind van Jacques Chirac, die op ‘de woede van de straat’ meende te moeten anticiperen. Fransen rekenen ouderwets op de solidariteit van de staat, wat niet wil zeggen dat zij de geneugten van het kapitalisme niet waarderen.

In die zin zijn wij allen Franse socialisten. Ik was ook niet onder de indruk van ‘Merkozy’, die voor eind oktober een oplossing voor de eurocrisis beloven. Pure bluf, dacht ik. Maar de markten slikten het, en namen een dag later alvast een voorschot op toezeggingen om op kosten van de Europese belastingbetaler vooral Franse banken te herkapitaliseren. Als kleine belegger haalde ik opgelucht adem. Voor de redding van het kapitalisme is alles goed, ook een nieuwe dosis gebakken lucht. Of ‘socialisme’, zo u wilt.