De politie is je beste vriend

Er zijn van die boeken die je eigenlijk niemand wilt aanraden, omdat het lezen ervan voornamelijk gevoelens van misselijkheid oproept. Toch is Jodenjacht, onder redactie van Ad van Liempt en Jan Kompagnie, een belangrijk boek, een boek dat geschreven moet zijn. En gelezen moet worden. Zelf was ik er een paar dagen beroerd van en kon ik maar niet uit mijn hoofd zetten wat ik zojuist had gelezen.

Ik betrapte me er zelfs op dat ik agenten op straat met andere ogen ging bekijken. Onzin natuurlijk, al heeft Jodenjacht mij eens te meer, en nu voor altijd, geleerd dat wij ons geen illusies hoeven te maken over de diender. De politie is je beste vriend, daar is geen speld tussen te krijgen, en er waren natuurlijk ook ‘goeien’ bij, maar helaas is het waar dat een flink deel van de Nederlandse politie zich tijdens de oorlog heeft gedragen als het meest criminele uitschot dat je je maar kunt indenken.

Het is zoals Frans Harms, rechercheur van de Amsterdamse politie, zei tijdens een patrouille: “Al lagen alle joden hier op een hoop bij elkaar en werden zij met benzine overgoten en in brand gestoken, dan zou ik er met veel plezier naar staan kijken.”

We zijn weer thuis. Dit is de Tweede Wereldoorlog, die – ik vermeld het voor de jongere lezers – heeft geduurd van 1940 tot 1945.

De jodenvervolging in Nederland wordt steeds gedetailleerder in kaart gebracht. In 2002 schreef Van Liempt zelf Kopgeld over de premiejagers van de Kolonne Henneicke, genoemd naar de automonteur die praktisch op eigen initiatief joden arresteerde en uitleverde aan de Sicherheitsdienst (SD), waarvoor hij en de zijnen het bedrag van 7 gulden 50 per jood incasseerden. De kolonne bracht in zes maanden zo’n dikke achtduizend joden aan, dus reken maar uit. Henneicke werd na de oorlog ter dood veroordeeld, maar die straf werd nooit opgelegd, zodat hij in 1962 op natuurlijke wijze kon sterven.

Onlangs is ook de 1045 pagina’s dikke pil verschenen: Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België. Deze omvangrijke studie verdient eerdaags een aparte bespreking. Nu zal ik me beperken tot Jodenjacht, het boek van Van Liempt dat de inspanningen beschrijft die de Nederlandse politie zich heeft getroost om joden op te sporen, uit hun huizen of onderduikplaatsen te halen en aan de Duitse instanties uit te leveren. Ruim honderdduizend joodse Nederlanders zijn langs deze weg in de vernietigingskampen terechtgekomen. De fractie die het overleefde, mocht bij terugkomst in Nederland constateren dat al hun bezittingen waren geroofd. In deze huiveringwekkende misdaden speelde de Nederlandse politie een hoofdrol.


Omdat het particuliere initiatief van de Kolonne Heinnecke in feite zelfs de bezetters te ver ging, besloten de Duitse autoriteiten dat de jodenvervolging moest worden gereguleerd via de Nederlandse politie. Binnen de politie werden daarvoor onder verschillende namen diverse eenheden opgericht, die allemaal maar één doel hadden: zo veel mogelijk joden inrekenen. Daarbij werd soms een vindingrijkheid aan de dag gelegd die je na bijna zeventig jaar nog versteld doet staan.

Zo was daar bijvoorbeeld de Nijmeegse rechercheur Marinus Verstappen, die zich bijzonder ergerde aan de zogenaamde ‘gemengde huwelijken’. Hij kon het niet verdragen dat joodse mannen die met niet-joodse vrouwen waren getrouwd volgens een Duitse verordening waren vrijgesteld van deportatie. Dus verzon hij een list, de Verstappen-truc, die hij buiten de SD om ook heeft uitgevoerd.

Hij gaf een van zijn agenten de opdracht om langs de huizen te gaan waar de gemengd gehuwden woonden. Deze agent moest hun influisteren dat er diezelfde avond een razzia zou worden gehouden en dat men er beter aan deed de woning zo snel mogelijk te verlaten. Veel van de joden onder de aangesproken bewoners vertrouwden deze oproep, maar nauwelijks stonden ze buiten of ze werden gearresteerd. Het was gemengd getrouwde joden immers verboden ’s avonds na achten op straat te zijn! Op die manier wist Verstappen toch zijn gemengd getrouwde joden te grijpen, en een paar dagen later werden ze al afgeleverd in kamp Westerbork.

Dergelijke praktijken werden zelfs de Duitsers af en toe te gortig, al moet daarbij onmiddellijk worden vermeld dat de sancties niet bijzonder zwaar waren en dat agenten die zich hadden misdragen snel weer werden ingezet. Fanatieke jodenhaters waren maar al te goed bruikbaar, want ‘met onwillige honden is het slecht hazen vangen’. En inderdaad: bij verschillende gelegenheden betoonden Nederlandse politieagenten zich meer dan gewillig. Ze waren gretig als bloedhonden, trots als ze waren op hun haat jegens de joden. Binnen de korpsen van jodenjagers was Verstappen beslist geen uitzondering.


Na de oorlog heeft Verstappen zich moeten verantwoorden voor zijn daden en uiteraard probeerde hij – zoals zo veel agenten – zijn rol te bagatelliseren. Hij beweerde, en ook dat hoorde tot de verdedigingsstrategie, dat hij naast al het andere ook joden had geholpen. Hij zou veel hebben gedaan ‘in het belang van ’t Nederlandse volk’. Typerend is deze verklaring: “Ten aanzien van het arresteren van joden in het algemeen, merk ik op, dat ik het standpunt innam, dat ondergedoken joden, die voortleefden onder valse naam, en dus in het bezit waren van een vals persoonsbewijs, zich schuldig maakten aan valsheid in geschrifte en ik zag dat als zuiver crimineel.”

Een belangrijk punt dat ook zeer ten nadele van de Nederlandse politie spreekt, is het feit dat veel agenten zich schaamteloos hebben verrijkt aan de achtergelaten bezittingen van joden. De dienders kregen een premie per opgepakte jood, die wel kon oplopen tot 25 gulden. Dat was in die tijd een substantieel bedrag. Maar meestal bleef het daar niet bij, want bij razzia’s en andersoortige arrestaties werden portefeuilles, geld, juwelen, snuisterijen en wat dies meer zij in beslag genomen. Dat verdween allemaal gewoon in de zakken van de agenten. En dan hebben we het nog niet eens over het huisraad, waarvoor de bakfiets bij wijze van spreken al klaar stond. Al die extra inkomsten maakten de jodenjagers bijzonder gretig, en omdat de Duitsers toegewijd personeel goed konden gebruiken, deden ze graag een oogje dicht bij deze roofzucht. Van de tweehonderd strafdossiers die Van Liempt en Kompagnie bekeken, bleek slechts in ongeveer tien gevallen dat de betreffende agent ook in de ogen van de SD te ver was gegaan.


Een detail dat mij ten slotte ook trof, was dat zeventig procent van de betrokken agenten protestants was en dertig procent katholiek. Protestanten waren kennelijk grotere dienstkloppers dan hun katholieke collega’s. Zulke feiten zou je in het achterhoofd moeten houden als een of andere politicus weer begint te zeuren over de joods-christelijke wortels van onze cultuur.

Jodenjacht is een even onheilspellend als noodzakelijk boek. Zo veel slechtigheid is nauwelijks te bevatten. Daarom alleen aanbevolen voor mensen met een sterk gestel.

Ad van Liempt en Jan Kompagnie (red.): ‘Jodenjacht’. Balans, €19,95. Ook via ako.nl.