De ultieme gok

Voor tweeënhalf miljoen dollar wilde Dan Wheldon wel een potje racen.

Op 14 oktober 2011 kwam Dan Wheldon om het leven. Hij reed met 350 kilometer per uur langs een stalen rand, om vervolgens over de kop te slaan en in brand te vliegen.

Het ongeluk gebeurde in Las Vegas, de stad waar mensen uit de hele wereld samenkomen om hun veertig jaar lang opgepotte spaarcenten er in één met drank overgoten avond doorheen te jassen. De stad van de ultieme gok.

Eigenlijk zou Wheldon, 33, helemaal niet meedoen. De IndyCar was zijn categorie helemaal niet, en bovendien had hij dit jaar nog veel te weinig wedstrijden gereden om echt in vorm te zijn.

De organisatoren haalden hem over. Wheldon deed mee. Voor spek en bonen, voor de lol – en voor de tweeënhalf miljoen dollar die hem als bonus in het vooruitzicht was gesteld als hij vanaf de achterste startrij het hele veld zou weten te passeren.

Een jackpot van tweeënhalf miljoen hing aan de zwart-wit geblokte finishvlag. Daar nam Wheldon (getrouwd, twee jonge kinderen) graag een risicootje voor.

De afstand tussen de wagens in de IndyCar is soms enkele centimeters. Ertussen bevindt zich de dreiging van de dood.

Op YouTube staan tientallen filmpjes waarin Wheldons fatale crash keer op keer kan worden bestudeerd. In de schaduw van de tribunes rijden de IndyCars als speelgoedautootjes op een hoopje. Het hoopje vliegt in de fik. De opgewonden commentatorenstemmen gaan een octaaf de hoogte in, vervolgen in mineur om uiteindelijk in volledige stilte te eindigen. De dood is geen gesprekstof. Wie goed luistert, hoort nog slechts het zorgelijke geroezemoes rond het circuit.

De dood van Wheldon werd wrang genoeg een lugubere reclamespot voor een film over de beroemdste dode in een raceauto, Ayrton Senna. In die documentaire vertelt Alain Prost, die met Senna in de Formule 1 reed tot die laatste zichzelf tegen een muur te pletter reed, dat niemand graag naast de Braziliaanse wereldkampioen in de baan kwam. Niet omdat ze bang waren vernederd te worden door Senna’s stuurmanskunst (nou ja, óók), maar vooral omdat Senna er heilig van overtuigd was dat hij niet dood kon gaan.


God reed altijd met hem mee, vandaar. Waar God was toen zijn chauffeur in 1994 in Bologna om het leven kwam, vertelt de film niet.

Sporters hebben de onwankelbare overtuiging dat de dood voor hen niet bestaat, totdat het tegendeel bewezen is. De dag nadat Fabio Casartelli in de Tour de France van 1995 stierf door met zijn helmloze hoofd tegen een paaltje in een Pyreneeënafdaling te botsen, won zijn ploeggenoot en vriend Lance Armstrong. Omdat het mocht van het peloton, maar ook omdat hij die dag grote risico’s nam in de bochten. De dood van zijn vriend had in hem een doodsverachting losgewoeld die hem later in zijn leven nog vaak van pas zou komen.

Nauwelijks negen dagen na Wheldon stierf motorcoureur Marco Simoncelli. Op het circuit van Sepang, waar hij drie jaar eerder nog wereldkampioen in de 250cc was geworden, gleed hij in een bocht onderuit, waarna twee rijders van achteren op zijn stuurloze lichaam knalden.

Bij die botsing verloor Simoncelli zijn helm, en daarmee zijn leven.

Kort na de botsing stond het filmpje al op YouTube.

Er was geen geluid bij. Zonder het ronkende geluid van de motoren, het gegil van de beroepsgillers van de tv en het geluid van de knal, leek het alsof het niet écht gebeurde, alsof het slechts een simulatie was, een instructiefilmpje vol trucage voor sporters voor wie de dood een abstractie op afstand is.

Maar dat was het niet.

Simoncelli, 24 jaar oud, overleed op weg naar het ziekenhuis. De beloning voor al zijn roekeloosheid lag aan de finish, maar die bereikte hij nooit. Je zou kunnen zeggen dat hij gokte en verloor. En zo zal het blijven gaan, tot er iemand tegen de gokker die met zijn leven speelt, zegt: “Rien ne va plus.”