Gezellig demonstreren

Occupy is een soort Pinkpop, maar dan maatschappelijk betrokken. Wat te denken van de Occupy-beweging, die een paar weken geleden begon als Occupy Wall Street en al snel oversloeg naar andere steden van de (voornamelijke westerse) wereld? Mensen verzamelen zich op pleinen van grote steden, zetten tentjes op, discussiëren met elkaar over allerlei maatschappelijke problemen, maar wat ze precies willen blijft onduidelijk, en leiders of woordvoerders zijn er ook niet. Het is een amorfe beweging, die als paraplu dient voor duizend-en-een protesten, zoals ongenoegen over de sluiting van bibliotheken, de kunstbezuinigingen, de afschaffing van de pgb’s, de pensioenproblematiek, werkloosheid, kernenergie, de opwarming van de aarde, het kapitalisme as such, het afwentelen van de Griekse liquiditeitsproblemen op de rug van de Europese belastingbetaler, de menselijke hebzucht in het algemeen en die van bankiers in het bijzonder.

De Occupy-beweging is kortom een spontaan volksprotest tegen de economische crisis, en het gaat over geld. De stemming van ‘we pikken het niet langer en we moeten onze stem laten horen’ mag dan een oprechte overtuiging uitdrukken, uit de journaalflitsen en andere berichtgeving kreeg ik toch vooral een indruk van gezelligheid: handen warmen aan een kampvuurtje, gitaar spelen, spreekkoren, de permanente democratische discussie, kraampjes met shoarma en hotdogs, samen schuilen onder een lap plastic, alto’s, oude hippies, vaders en moeders met buggy’s. Een soort Pinkpop, maar dan maatschappelijk betrokken.

De aantrekkelijkheid van met z’n allen bij elkaar vertoeven voor de goede zaak kan ik me heel goed voorstellen. Zelf heb ik in de jaren zeventig ook weleens rond-gehangen bij een of andere studentenbezetting omdat ik het spannend vond om mee te maken, voor een middag dan – op de grond in een slaapzak overnachten ging me te ver. Ik heb zelfs meegedaan aan de grote anti-kruisrakettendemonstratie van 1982, terwijl ik helemaal niet tegen die kruisraketten wás. Maar meedoen gold als teken van het hart op de goede plaats hebben, en verder kon ik geen weerstand bieden tegen het vooruitzicht van met mijn vrienden een gezellig dagje uit in Amsterdam.

Natuurlijk is het opwindend om fysiek aanwezig te zijn bij een manifestatie van idealistische signatuur, in ieder geval inspirerender dan alleen maar op internet te protesteren. Toch valt te vrezen dat de beweging bij gebrek aan duidelijk programma even snel zal uitdoven als die is opgeflakkerd. Het omarmen van leiderschapsloosheid, open debat en sociale media duidt alleen maar op vrijblijvendheid. Het enige wat bereikt wordt, is een tijdelijke illusie van verandering. Zie ook de mars der indignado’s naar Brussel die in volstrekte katterigheid verzandde.


Om massa’s te mobiliseren is een duidelijke vijand misschien nog wel belangrijker dan een programma of een eisenpakket. Toen Luther zich boos maakte over de handel in aflaten, begon hij geen wazige kruistocht tegen de menselijke hebzucht of de falende moraal, maar richtte hij zijn pijlen tegen de katholieke kerk en haar prelaten. Met succes, want de hegemonie van de kerk werd doorbroken. In deze economische crisis is het niet makkelijk om boosdoeners aan te wijzen, omdat iedereen jarenlang profijt heeft getrokken van de kapitalistische luchtbellen en dus medeverantwoordelijk is.

Toch zit er iets niet goed met die geldstromen, de handel in derivaten, de torenhoge leningen, de bonussen en het speculeren op toekomstige groei. De algemene economische crisis heeft wel degelijk een bancaire oorsprong. Het gaat grofweg gezegd om een keus tussen wildwestkapitalisme en meer overheidscontrole. Misschien zijn de finesses hiervan te saai of te abstract voor de Occupy-actievoerders met hun tentjes. Maar Ronald Plasterk schreef een glashelder en concreet plan van aanpak om de vrijheid van banken te beteugelen, te beginnen in Nederland. Vooralsnog heb je meer aan de kleine stapjes van politici dan aan de grote greep van actievoerders.