Leeuwen in Toronto

Nederlandse spelers laten Canada zien wat voetballen is. Onder leiding van oud-Ajacied Aron Winter houden Danny Koevermans (ex-AZ en PSV), Nick Soolsma, Javier Martina en Elbekay Bouchiba het niveau van topclub Toronto FC hoog.

In de 52ste minuut is het raak. De spits van Toronto FC (rugnummer 14) ontsnapt een fractie van een seconde aan zijn bewaker en tikt een strakke voorzet binnen. Stormachtig applaus als de stadionspeaker zijn naam uitspreekt: “The goal was scored by… Danny Koevermans!”

Hij loopt voortdurend randje buitenspel. Wachtend op die ene voorzet. Positie kiezend. Loerend. Acht minuten later lukt het hem opnieuw de verdediger van Colorado Rapids een half metertje voor te blijven en produceert hij een snoeiharde kopbal: 2-0.

Als ‘De Koef’ een kwartiertje later wordt gewisseld, komen alle 20.318 toeschouwers in het stadion overeind voor een ovationeel applaus.

En dan te bedenken dat de commentatoren het voorafgaand aan de wedstrijd vooral over die andere rugnummer 14 hadden. Maar Rapids-spits Omar Cummings speelt vanmiddag weinig klaar. Aan werklust ontbreekt het hem niet, maar Toronto FC heeft defensief z’n zaakjes keurig op orde – met dank aan de aanvoerder, een Viking-achtige verschijning die zijn medespelers met strakke hand dirigeert. Een haarband houdt zijn lange manen enigszins in bedwang. We herkennen Torsten Frings: met 79 optredens in het Duitse nationale elftal mag hij met recht een veteraan worden genoemd.

Vanmiddag ontregelt Frings met ogenschijnlijk gemak de aanvallende intenties van Colorado Rapids. Zijn manier van spelen vormt een interessant contrast met die van zijn opponent. Omar ontpopt zich als een kilometervreter die onvermoeibaar in alle windrichtingen voort blijft draven. Frings ziet het meewarig aan. Doet geen stap te veel. Maar op cruciale momenten staat hij wel steeds op de juiste plaats. Het verschil? Laten we het houden op vijftien seizoenen Bundesliga.


De kranten bejubelen daags nadien vooral Koevermans. ‘Oh Danny Boy’ luidt de kop boven een pagina in de Sunday News. Volledigheidshalve moet daarbij wel worden vermeld dat de verrichtingen van Toronto FC pas worden aangetroffen op pagina 29 van het sportkatern. De voorgaande pagina’s zijn gewijd aan ijshockey, American football en honkbal. Dát zijn de sporten waar het hier om draait. Het professionele soccer komt nog maar net kijken in Toronto. Toch heeft voetbal hier in korte tijd veel terreinwinst geboekt.

“Als je bedenkt dat deze club nog maar vijf jaar bestaat, dan is er in die tijd ontzettend veel opgebouwd. Voetbal lééft hier. Het stadion zit altijd vol en de mensen zijn razend enthousiast.”

Aan het woord is Aron Winter, trainer én technisch directeur van Toronto FC. Hij werd een maand of tien geleden gebeld door Jürgen Klinsmann, die destijds nog als adviseur in dienst was bij Toronto FC. Of hij misschien trek had in het trainerschap? Het voetbal moest sprankelender. Aanvallender ook. En er moest een jeugdopleiding worden opgezet die op termijn ‘eigen kweek’ zou leveren. De Hollandse school, zeg maar. Daarvan is Klinsmann een bewonderaar. Altijd geweest. Als bondscoach had hij die speelstijl zelfs bij Die Mannschaft geïntroduceerd. Hij zocht een Nederlander om in Toronto iets van de grond te tillen en Winter – telg van de Ajax- school, gepokt en gemazeld in de Italiaanse Serie A – beschikte over de juiste papieren. Winter zag het aanzoek als (het woord zal toch een keertje moeten vallen) een ‘uitdaging’ en hapte toe.

Hij kende Toronto eigenlijk niet. Was er één keer kort geweest. “In 1994 hebben we hier met het Nederlands elftal een oefenpotje gespeeld tegen Canada, in de aanloop van het WK.”


In vergelijking met het Europese voetbal is ‘alles’ hier anders. Ter illustratie tikt Winter met de punt van zijn schoen tegen het kadaver van een dier dat bij nadere beschouwing van plastic blijkt te zijn: een nep-coyote. “Die worden op het veld gezet om te voorkomen dat ganzen de grasmat kaal komen grazen.” Winter wil met alle plezier een half uurtje vrijmaken om de verschillen met Europa toe te lichten. Maar vanochtend moet er eerst worden getraind. Daar is zijn ploeg in de afgelopen weken weinig aan toegekomen. Ze zaten te vaak in het vliegtuig. Nicaragua, Los Angeles… Vijf à zes uur vliegen voorafgaand aan een wedstrijd is geen uitzondering. Ze zijn nog maar net terug uit Mexico. Pumas uit. Altijd lastig. Dolle boel. Kolkend stadion. Maar ja, wel klop gekregen van de Mexicaanse kampioen. Die wedstrijd zit nog in de benen, en dus staat er een lichte training op het programma.

Winter staat als een veldheer – armen gekruist voor de borst – aan de zijlijn. Hij laat het eigenlijke trainingswerk over aan zijn assistent Bob de Klerk. Inderdaad: een landgenoot. Onder de spelers bevinden zich – naast Koevermans – nóg drie Nederlanders: Nick Soolsma, Javier Martina en Elbekay Bouchiba.

Laatstgenoemde is een rasechte ‘voetbalnomade’. Versleet een half dozijn eredivisieclubs alvorens in Qatar neer te strijken. Een doorstart in Toronto wordt voorlopig verhinderd door een slepende blessure. Bouchiba traint vanochtend in z’n eentje. Zo ook Danny Koevermans, die door een fysiotherapeut apart is genomen. Hij krijgt een elastiek om de benen gespannen en wordt gedwongen tot het aannemen van onflatteuze poses.


Op het veld wordt het eerste elftal ondertussen weggetikt door de reserves die een gretiger indruk maken dan de basiself. Met name Torsten Frings lijkt zijn krachten te sparen voor de wedstrijd van morgen. Na afloop wordt hij even apart genomen door Winter. Ze praten Duits. Elders op het veld klinken ondertussen Engels, Spaans, Nederlands en Frans.

Winter: “Bij het positiespel was Torsten niet altijd even, eh… geconcentreerd. Daar praat je dan even over.”

Natuurlijk begrijpt hij best dat Frings op de training de zoden niet meer uit de grasmat rent. Hij heeft hem vooral binnengehaald als leider. Aan die keuze ging overigens heel wat wikken en wegen vooraf, want de lijst met Europese spelers die hun carrière in Noord-Amerika willen afbouwen is lang. “Je moest eens weten hoeveel aanbiedingen er op m’n bureau hebben gelegen. Maar ik zat niet te wachten op spelers die komen om nog wat geld te verdienen. Ik zocht iemand die op het veld lijnen uit kan zetten en die absoluut fit moest zijn. Want fysiek wordt hier méér van je vereist dan in Europa.”

Daarmee doelt Winter vooral op het overvolle schema. De belangrijkste competitie waaraan zijn team deelneemt, is de achttien teams tellende Major League Soccer (MLS), waarin verder uitsluitend Amerikaanse teams spelen. Dan is er een Canadese competitie waarvan het niveau lager ligt en die elk jaar met twee vingers in de neus door Toronto FC wordt gewonnen. En daarmee heeft de club dan weer recht op deelname aan het Concacaf-toernooi, het Noord-Amerikaanse equivalent van de Champions League. Winter: “Op zichzelf is dat prachtig, maar het kost een hoop tijd en energie. Je komt in landen terecht waar de omstandigheden soms behelpen zijn. En je krijgt te maken met grote verschillen in tijdzones, klimaat, luchtvochtigheid en hoogte.”


Het niveau van de MLS balanceert volgens Winter zo’n beetje tussen de Nederlandse Eredivisie en de Jupiler League. “Maar er zijn meerdere ploegen bij die makkelijk in de Eredivisie mee zouden komen.” En dat mag een prestatie worden genoemd gezien de begroting waarmee MLS-teams werken: gemiddeld iets meer dan twee miljoen euro. Ter vergelijking: het Rotterdamse Excelsior – hekkensluiter in de Eredivisie – heeft een budget van 3,8 miljoen euro. De MLS kent ingewikkelde financiële regels. De salarissen worden aan banden gelegd door caps, maar die beperkingen gelden niet voor designated players. Hoewel alle clubs op papier met vergelijkbare budgets werken, zijn er toch ook weer uitzonderingsregels die het mogelijk maken dat grootverdieners als Thierry Henry (New York Red Bulls) en David Beckham (LA Galaxy) in de MLS uitkomen.

Winter wordt weleens moe van de wirwar aan regeltjes en vertelt hoofdschuddend dat coaches onder bepaalde omstandigheden zelfs tot het selecteren van spelers kunnen worden verplicht.

Een andere regel stelt dat de pers na afloop van een wedstrijd de toegang tot de kleedkamer niet wordt geweigerd. Dáár heeft Winter geen trek in. Bij wijze van compromis dirigeert hij zijn spelers na de met 2-1 gewonnen wedstrijd naar het trainingshonk, waar ze in een informele sfeer met journalisten kunnen babbelen. We treffen de spelers druk doende met rek- en strekoefeningen. Danny Koevermans heeft plaatsgenomen op een hometrainer en wordt omringd door een roedel Canadese journalisten. Hij glimt en glundert.

Dat doet hij nog steeds als hij het bezoek uit Nederland te woord staat. Jazeker, hij had eerder naar het buitenland gekund. AZ stuurde daar zelfs op aan. “Die wilden me kwijt aan een Spaanse of Turkse club. Maar dat zag ik niet zitten.” Het werd PSV. Maar toen hij daar ‘op dood spoor’ belandde, was hij wél klaar voor het buitenland.


“Ik ben inmiddels alweer 32. Dan heb je met een beetje mazzel nog twee of drie jaar te spelen.” Hij is na een lastige periode bij PSV weer opgebloeid in Toronto. “Als ik bij PSV een bal verkeerd raakte, begon het publiek te morren. Hier steunen ze je onvoorwaardelijk. Ik merk dat ik meer zelfvertrouwen heb en steeds beter ga spelen.” Dat was de verslaggever ook opgevallen. In de tweede helft leverde Koevermans zowaar een kunststukje af door in volle vaart met de hak (!) een fraaie pass te geven. Brede grijns: “Dat heeft alles met zelfvertrouwen te maken. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik dat hakje had aangedurfd als ik niet eerder al twee keer had gescoord.”

Koevermans heeft het naar z’n zin in Toronto. “Maar het schema is moordend. Ik heb in mijn eerste twee maanden zeker vijftien wedstrijden gespeeld.”

Bij de supporters kan hij al niet meer stuk. “Danny scoort gemiddeld één goal per wedstrijd. Dat zijn we hier niet gewend,” zegt Gary Tobin. Hij behoort tot de harde kern die zich Red Patch noemt, naar een regiment van het Canadese leger.

Tobin draagt een clowneske rode jas waarop tientallen badges zijn genaaid. “Eentje voor elke uitwedstrijd die ik heb bezocht.” In weerwil van de grote afstanden worden de uitwedstrijden door een trouwe groep supporters bezocht. De dichtstbijzijnde opponent is Columbus Crew (in Ohio). Dat team is – in de geest van de rivaliteit die een derby nu eenmaal aankleeft – tot aartsvijand uitgeroepen. Tobin vertelt vol trots over die ene keer dat drieduizend Toronto-supporters naar Columbus waren afgereisd. Hij heeft een oranje spandoek gemaakt met het (Nederlandstalige) opschrift ‘Val aan als leeuwen’. De tekst was hem ooit opgevallen in een reclamespotje. “Vond ik wel passen bij Toronto FC. Ook omdat er zo veel Nederlanders rondlopen.”


Aan Aron Winter de taak dat Oranjegevoel ook tot uitdrukking te brengen op het veld.

Dat vergt veranderingen. “Ik ben veel bezig met het groepsproces. Als het team vroeger op reis was, ging iedereen na de lunch z’n eigen gangetje. Ik heb doorgevoerd dat er veel meer dingen gezamenlijk worden gedaan. Dat lijkt misschien een abc’tje, maar hier zijn ze dat niet gewend.”

Ander voorbeeld: Nederlandse voetballers vinden het heel gewoon dingen hardop uit te spreken en pittige kritiek te uiten. Winter: “Als je dat hier doet, voelen ze zich al snel beledigd.”

Wat hij aan Nederland mist? “De Amsterdamse humor. Beetje dollen met elkaar.”

Na enig nadenken: “En zo nu en dan een kroketje.”

Erik Spaans